Theegenot buitenshuis. Doorgaans wordt er in publicaties over de leefgewoonten van onze voorouders op gewezen, dat de thee in de zeventiende en achttiende eeuw weliswaar dikwjils in gezelschap gedronken werd, maar dat dit uitsluitend thuis geschiede. Thee zou zich juist hierin onderscheiden van koffie en van alcoholica, die men ook in openbare gelegenheden placht te gebruiken. Deze veronderstelling is evenwel niet geheel juist gebleken.
In de reeds uit 1669 deterende klucht ?Pefroen met ?et schaapshooft? antwoordt een knecht, aan wie gevraagd wordt waar zijn meester zich bevindt: ?In ?t Theehuis by de rooksgezinden?! Uit het vervolg van het verhaal blijkt, dat er in die tijd al verschillende van degelijke gelegenheden in Amsterdam bestonden, die bij de Dam gevestigd waren en ?Op het Rokkin, alwaar de Thee heel puik is, en de Coffi mee?. Bovendien worden theehuizen vermeld in een aantal bepalingen betreffende de belastingheffing op koffie en thee, welke kort voor 1700 van kracht geworden zijn.
Tijdens de buurtmaaltijden, die jaarlijks door de Haagse burgerij georganiseerd werden en waarvan bewaard gebleven afrekeningen ons een beeld geven van het vele eten en drinken dat daarbij geconsumeerd werd, heeft men de aanwezigen in 1679 voor de eerste maal getracteerd op ?vrouties toeback geseijdtthee?; ook in de latere jaren treft men soortgelijke uitgaven aan, terwijlin 1708 zelfs zwarte ?thee boeij? zowel als groene thee gedronken werden en de Hofbuurt in 1722 van haar standin blijkt meende te moeten geven door de luxe ?Keysers thee? voor dit doel in te kopen.Theegenot buiten de huiselijke haard werd in deze periode dus geenszins als ongebruikelijk ervaren. Men constateerde – zijn het niet zonder ontstemming – dat ook militairen belangstelling toonden voor de nieuwe modedrank en ?dat men al Koffy en Thee-Tenten in de laatste Veld-legers heeft sien opregten, ?t welk voor geen soldaat en past, die zich met een kouwden dronk moet konnen behelpen?.
Thee met melk werd in vroeger tijd langs de straat verkocht door vroutjes, die een ketel en enkele kopjes opgesteld hadden op een tafeltje of een kruiwagen. Een dergelijk tefereel is uitgebeeld op een kinderprent, waarbij de verkoopster haar klanten de volgende woorden toeroept:
Theemelk, aangenaam van smaak,
Wil ik U hier schenken,
Jongens! drink hier met vermaak
En om dorst te drenken.
Het drinken van melkthee werd ook als een kermisattractie beschouwd en is als een van de de vele evenementen weergegeven op bladen, die onder de titel ?Amsterdamsche Kermis-Vreugd? zijn uitgegeven; ter verduidelijking dienentoepasselijke teksten als ?Hier roept ons soete keetje, drinkt by myn een melkteetje? en ?Kees die drinkt by mooye Kee, een lekker kommetje melkthee?.Het theegebruik in een openbare gelegenheid tijdens de eerste decennia van de achttiende eeuw wordt op een levendige wijze beschreven in ?De vermakelyke Haagsche reize?. Een zestal personen, dat per trekschuit onderweg is van Amsterdam naar Den Haag en in Leiden enkele uren moet wachten, doodt aldaar de tijd in een herberg waar zij ?eene vrye Kamer? krijgen om gezamenlijk rusig een pijp te roken en thee te drinken. Onder de reizigers bevond zich een boer, die ?in alles zyne dingen byzonder wel doen kon?, en ?dien namiddag ten minsten wel vyftig kopjes op zoop, die daar toe nog gantsch niet van de kleinste soort waren?; het spreekt dan ook van zelf, dat de ene waterketel na de andere binnen moest worden gedragen. Tot overmaat van ramp legde de onbeholpen boer bij het vertrek zijn zware geldzak neer op de rand van de theetafel, die ?gelyk ze meest alle zyn, slechts op eenen middelvoet met drie onderpootjes rustede? en prompt omviel, ?waardoor alles wat ?er op stond van Porcelein, Glazen, Quispedoortjes, enz. op den grond neder plofte en byna tot gruis verbyzelde?. De waardin eiste een schadevergoeding voor het gebroken theegerei, dat van ??t allerkeurigste Porcelein? was en nog aan haar grootmoeder had toebehoord.
Een voorstelling van een aantal in verschillende klederdrachten gestoken, vrolijke gasten, die op een zomerse namiddag ?by eene herberg aan de trekvaart, verzameld (zijn), om, onder een kopje thee en een glasje wijn, de schuit aftewachten?, is opgenomen in een uit omstreeks 1820 daterende prentenreeks met als titel ?Hollandsche Costumes?.De herbergen, die meestal op een halteplaats van trekschuiten en postkoetsen gelegen waren, of buiten de stedelijke bebouwing in de vrije natuur, kunnen als de voorlopers beschouwd worden van de uitspanning en theetuinen; deze waren in de loop van de negentiende eeuw bij vrijwel alle plaatsen te vinden en hebben soms, zoals bij de theeschenkerij in het park Sonsbeek te Arnhem het geval was, een landelijke bekenheid verkregen. Doorgaans kregen de in de tuin gezeten bezoekers de thee niet slechts in een kopje gepresenteerd, maar hadden zij een srviesje ter beschikking en een metalen theestoof met een waterketel, waarmee geruime tijd de dorst kon worden gelest.
Rijke families waren veelal in het bezit van een theekoepel, die op hun buitenplaats gelegen was of in een tuin op of buiten de stadswallen. Het is overigens juister om dergelijke geboutjes met de term tuinhuis aant e duiden, aangezien zij reeds lang voordat het theegebruik in zwang was geraat, bestaan hebben; bovendien waren zij oorspronkelijkvan een eenvoudig pyramidaal dak voorzien. De koepelvormige bekroning en de toepassing van een zes- of achtzijdig grondplan zijn ontwikkeld onder Franse invloeden, die in ons land bekenheid verkregen door de prenten, welke hier naar ontwerp van bekende architecten als J. Lepautre en D. Marot zijn uitgegeven. Vooral langs de rivieren in de omgeving van Amsterdam, zoals de Vecht, de Amastel en het Spaanse verrezen met name in de achttiende eeuw talloze koepels, waarin menop een zomerdag onder het genot van een kopje thee of een glas wijn besprekingen kon voeren met zakenrelaties, kenissen ontving of de voorbijvarende schepen kon gadeslaan. Ook in andere delen van het land waren de tuinhuizen overigensniet onbekend en verrezen zij dikwijls op de oude vestingwallen van onze steden.Voor wat betreft Utrecht kan men dit bijvoorbeeld constatern aan de hand van een aantal penten naar Jan de Beyer, terwijl op het vroegere bolwerk van Franeker nog enkele koepels bewaard gebleven zijn, die oorspronkelijk bij de zogenaamde professorenhuizen behoord schijnen te hebben.
Hoewel men de theekoepels aanvankelijk versierde mat ornamenten in de trantvan de heersende Lodewijk-stijlen, werd in een later stadium de voorkeur gegeven aan een meer exotische vormgeving en decoratie, welke naar aanleiding van de bij ons zo geliefde China-mode eerst met de bouwkunst van dat land geassocieerd ward, en die in een later stadium invloed zou ondergaan van de Moorse architectuur en van de eeuwenoude gotiek. Belangstellenden konden dergelijke bouwsels laten uitvoeren aan de hand van voorbeelden, zoals die omstreeks 1775 bijvoorbeeld gepubliceerd werden in de ?Verzameling van verscheide tuin gezigten, naa ?t Chinees gevolgt, zo genaamde grotwerken, koepels, kabinette, boogen en zitbanken &c. van nieuween vreemde vindingzo hier als elders op buite-plaatzen gebouwd en geschildert Na en door de inventie van Pr. Barbiers en in ?t koper gebragt door Hs. Henke?. In dit werk komt onder meer een prent voor, die het nauwkeurig in schaal gebrachte vooraanzicht toont van het toenmalige ?Tuijnhuis aan de Diemer of Watergraafsmeer? van de buitenplaats Sweedenryk, dat ons thans alleen nog dank zij een tekening uit 1769 bekend is. Na het verschijnen van de ets van Henke zullen stelling verschillende van deze Chinese ?kiosken? gebouwd zijn; zo is bekend, dat er een hierop geinspireerd gebouwtje in het park van Elsrijk te Amstelveen heeft gestaan. Een exemplaar, dat in 1792 voor Cornelis Koker te Broek in Waterland werd vervaardigd, is zelfs behouden gebleven.Vele mogelijkheden om een tuin met vreemdsoortige pavelijoens te verfraaienbood het in 1802 uitgegeven Magazijn van tuinsieraaden, datdoor G. van Laarwerd samengesteld; dat de belangstelling hiervoor in de negentiend eeuw nog geenszins verflauwd was, blijkt wel uit het feit dat het boek in 1832 herdrukt diende te worden, Het in Hildebrands Camera Obscura beschreven bezoek van Mr. Bruis (?Een oude kennis?) aan zijn vroegere academievriend Dr. Deluw geeft de betekenis van de theekoepel voor de recreatie van de toenmalige stadsbewoners duidelijk weer.
De wegestelde ingezetenen van ons vaderland, die op een warme dag in de buitenlucht hun verpozing zochten, dronken hun thee overigens niet alleen in de koepel, maar ook in de lommerrijke tuinen van hun buitenplaatsen. Zelfs werd de verkwikkende drank wel genuttigd tijdens een spelevaart in de Amsterdamse grachten; dit blijkt uit een prent van het ? Aalmoesseniers weezhuis? aan de Prinsengracht, waarbij op de voorplecht van een passerend jacht een komfoor met een grote waterketel staat opgesteld.
In het stadhouderlijk buitenveblijf Het Loo had men blijkens een beschrijving uit 1740 een van de koele kelders ingericht als ?Theekabinet?; de ruimte was voorzien van fonteinen, terwijl de wanden met ?grotwerk? waren versierd. Een aangrenzend vertrek fungeerde als ?confituircamer, rondom met porceleinen potten en confituirgereedschap bezet..?.

Bron: Thema Thee; de geschiedenis van de thee en het theegebruik in Nederland.
Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam 1978