Theeaanvoer in Nederland In 1602 werd de “Generale Vereenichde Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie in de Ge|nieerde Nederlanden”, doorgaans kortweg V.O.C. genaamd, opgericht, die zich met name het bedrijven van “commercien op vreempde Landen” tot taak had gesteld. Aan het hoofd stonden de in Amsterdam zetelende Bewindhebberen of Heeren XVII, die met de algehele leiding waren belast en onder meer beslissingen namen over de jaarlijkse investeringen. In een zestal steden, namelijk Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Rotterdam, Delft en Middelburg, bezat de V.O.C. vestigingen of “kamers”. Deze kantoren hadden eigen schepen onder hun beheer en namen zelf de daarmee aangevoerde retourlading in ontvangst; deze handelswaar werd doorgaans ook in de eigen stad verkocht, maar de data van de veilingen en verdere bepalingen hieromtrent werden door de bewindhebberen gedecreteerd.De V.O.C. gaf pamfletten uit, waarop vermeld werd wanneer en waar dergelijke verkopingen plaats zouden vinden alsmede een uitvoerige omschrijving van de artikelen welke verhandeld gingen worden en de hoeveelheid daarvan. Zo treft men op de voor november en december 1733 samengestelde lijst maar liefst 571.195 pond thee aan, die “direct uit China” afkomstig was en te Amsterdam geveild werd, terwijl voorts een totale hoeveelheid van 454.054 pond thee van verschillende soort “in de respective Kameren by verdelinge” werd verkocht. Het aantal kooplieden, dat zich in de achttiende eeuw met de handel in thee bezig hield, was groot. Alleen al in Amsterdam woonden in het jaar 1766 veertig theehandelaren, van wie de meesten eveneens zaken deden in koffie. Via deze koophandel werd de thee niet alleen in ons eigen land aan de man gebracht, maar ook doorverkocht naar andere Europese landen, hoewel het belang van deze export is afgenomen, naarmate steeds meer Compagnieen opgericht werden die zich met de handel op China bezighielden. Reeds in 1664 werd overigens in een acte melding gemaakt van een handelscontract over het verkopen van “Koffij, Soukelade, The” tussen de in Leiden gevestigde Thomas Richardson en een koopman in Engeland.In de jaren, die aan de intocht van de Fransen in 1795 vooraf gingen, hebben zich ook op het vlak van de theeveilingen moeilijkheden voorgedaan, die een gevolg waren van wilde speculaties en politieke controverses. Deze geschilpunten zijn ondermeer in de felle geschriften van de prinsgezinde theehandelaar Voute en zijn patriottische tegenstander Fremery duidelijk tot uitdrukking gebracht. Naast de officikle verkopingen van de V.O.C. werden in deze periode ook omvangrijke particuliere theeveilingen georganiseerd, waar overschotten van speculanten en via andere landen aangevoerde partijen thee verkocht werden; tegen de aanvoer door buitenlandse schepen werd overigens in 1791 door de Staten – Generaal een verbod uitgevaardigd.
Hoewel in de Franse tijd de Heren XVII van de V.O.C. uit hun functie werden ontheven en in 1796 ter vervanging een “Committee tot de zaken van den Oost Indischen Handel en Bezittingen” in het leven werd geroepen, behield ook dit nieuwe bewind een monopolie op de aanvoer van thee. Men was namelijk zeer bevreesd, dat na de invoering van vrijhandel de steeds machtiger wordende Amerikaanse koopvaardij er – samen met de Engelsen – in zou slagen om vat te krijgen op onze bloeiende theevaart. Weliswaar kwam de aanvoer vanuit China en Indik ten tijde van de inlijving van ons land bij het Franse keizerrijk tussen 1810 en 1813 vrijwel stil te liggen, maar na het herstel van de onafhankelijkheid werd deze met zoveel enthousiasme hervat, dat het raadzaam werd geacht om een maximale jaarlijkse theeimport vast te stellen, welke partijen tijdens een tweetal door de staat uitgeschreven veilingen verkocht dienden te worden. Weldra achtte men een dergelijke overheidsbemoeiing niet meer passend in de heersende geest van vrijhandel, zodat de theehandelaren in 1817 uiteindelijk toestemming verkregen hebben tot de vrije invoering van thee, mits daarover belasting zou worden betaald.Terwijl de in Holland aangevoerde thee aanvankelijk in de pakhuizen van de V.O.C. werd opgeslagen, alvorens deze in veiling werd gebracht, achtten de theehandelaren het wenselijk om ook na 1817 van dergelijke centrale entrepots gebruik te blijven maken. Het beheer daarvan werd toevertrouwd aan de “Pakhuismeesteren van de Thee”, die ook de theeverkopingen organiseerden, welke doorgaans in het gebouw “De Brakke Grond” te Amsterdam gehouden werden. Medio 1958 is aan deze situatie een einde gekomen. Heden ten dage heeft men als theehandelaar de mogelijkheid om op sommige plantages rechtstreeks thee aan te kopen, terwijl er wekelijkse veilingen gehouden worden in Londen en in de belangrijkste productielanden, Namelijk Noord-India (Calcutta), Zuid-India (Cochin), Sri Lanka (Colombo), Afrika (Mombassa) en Indonesik (Jakarta).Reeds in de achttiende eeuw werden voor de theeveilingen monsters van de diverse kavels aan belangstellende verstrekt, zodat de partijen zelf in de pakhuizen konden blijven liggen, totdat de koper zijn quantum in ontvangst wenste te nemen; bij die gelegenheid werden dan tevens de aan opslag verbonden onkosten verrekend. Als eigendomsbewijs voor de in hun gebouwen opgeborgen theekn werden door de pakhuismeester “cedullen” verstrekt, die aanvankelijk op naam van de bezitter werden uitgeschreven; toen deze documenten evenwel meer en meer als waardepapieren werden verhandeld, heeft men de tekst zo geformuleerd, dat elke houder ervan gerechtigd was om de betreffende partij thee op te eisen.De thee, zoals die in de winkels aan de consument wordt aangeboden, bestaat doorgaans uit een melange, dat uit zeer vele soorten is samengesteld. Aangezien diverse componenten vanwege het seizoen, sterke prijsschommelingen, of om andere redenen niet altijd voorhanden zijn, dienen deze vervangen te kunnen worden zonder dat merkbare verschillen teweeg worden gebracht in het eindproduct, waarvan de smaak en het uiterlijk identiek moet blijven. Bij het samenstellen van dergelijke mengsels en de controle op de kwaliteiten van de thee speelt het proeven een belangrijke rol. De theeproever, die over een grote vakkennis en ervaring dient te beschikken, alsmede over een uitzonderlijk goed ontwikkeld smaakgevoel, was reeds in het oude China bekend en heeft sedertdien nauwelijks noemenswaardige veranderingen in zijn werkwijze aangebracht. Bij het zetten wordt uitgegaan van constante hoeveelheden thee, die nauwkeurig afgewogen worden op een balansje; als tegenwicht wordt hierbij doorgaans gebruik gemaakt van een oud sixpence muntstuk van 2,85 gram. In potjes van identiek formaat worden de verschillende theekn met kokend water overgoten en – na met een dekseltje te zijn afgesloten – blijven deze gedurende zes minuten staan om te trekken. Het aldus verkregen aftreksel wordt overgegoten in witte kommetjes en vervolgens op afschenk, kwaliteit, karakter en geur beoordeeld.Bij het proeven, dat met een zilveren lepel wordt uitgevoerd, laat men de thee in de mond “rollen”, waarna deze in een kwispedoor of in een koperen “sputo” wordt uitgespuwd. De theeproever pleegt zijn bevindingen weer te geven in stereotype termen, zoals “vol”, “geurig”, “moutig”, “rond”, “dun”, en “vlak”. In verband met het vaak harde leidingwater in ons land maken sommige theefirma’s in hun proefkamer gebruik van gedistilleerd water, waardoor men van een constante zuiverheid verzekerd is. Afgaande op de door de proevers verstrekte kwaliteitsbeoordeling worden de diverse theesoorten in de gewenste verhouding gemjleerd en – afgepakt in pakjes of theezakjes – in de handel gebracht.

Bron: Thema Thee; de geschiedenis van de thee en het theegebruik in Nederland. Museum Boymans-van ………Beuningen, Rotterdam 1978

Met dank aan Thee etc.