Na een flinke tijd wordt thee ook buiten China populair De Japanse geschiedenisboeken doen melding van een keizer, Shomu, die in 729 in zijn paleis thee serveerde aan honderd boeddhistische monniken. Omdat er in die tijd in Japan nog geen thee werd verbouwd, moeten de bewerkte bladeren wel uit China zijn gekomen. Men vermoedt dat het eerste kweekzaad naar Japan is gebracht door Dengyo Daishi, een monnik die twee jaar, van 803 tot 805, in China had gestudeerd. Hij keerde terug naar huis, plantte het zaad in de grond rond zijn klooster en toen hij vijf jaar later de thee van zijn eerste planten aan keizer Saga liet proeven, schijnt die zo van het nieuwe drankje te hebben genoten dat hij verordende dat er in vijf provincies rond de hoofdstad met de verbouw van thee moest worden begonnen.Tussen het eind van de negende en de elfde eeuw verslechterde de verhouding tussen China en Japan. Thee (een Chinees produkt) raakte uit de gunst en werd niet langer aan het hof gedronken. Japanse boeddhistische monniken bleven echter thee drinken, omdat het hen wakker hield en de concentratie ten goede kwam tijdens lange meditaties. Aan het begin van de twaalfde eeuw verbeterde de situatie tussen de beide landen weer en bracht de Japanse monnik Eisai als eerste een bezoek aan China. Hij kwam terug met meer theezaden en met een Chinees nieuwigheidje: groene poederthee. Hij bracht ook kennis mee van de leer van de zenboeddhistensekte Rinzai. Het drinken van thee en de boeddhistische ideeen ontwikkelden zich tegelijkertijd en terwijl de theerituelen in het oude China langzaam verloren gingen, werden ze door de Japanners ontwikkeld tot een complexe, unieke ceremonie. De nog altijd bestaande Japanse theeceremonie “Cha-no-yu” omvat een nauwgezet ritueel dat tot doel heeft een moment van rust te scheppen, waarin gastheer en gasten streven naar spirituele verkwikking en harmonie met het heelal. In 1906 schreef Okakura Kakuzo in zijn Theeboek: “Het theeisme is een cultus, gebaseerd op de verering van de schoonheid temidden van de vulgaire realiteit van het dagelijks bestaan. Het doordringt je van zuiverheid en harmonie, het mysterie van de naastenliefde, de romantiek van de samenleving.” De theeceremonie bevat allerlei elementen van de Japanse filosofie en artistieke schoonheid en is een mengeling van vier principes: harmonie (met anderen en met de natuur), respect (voor anderen), zuiverheid (van hart en geest) en rust. “Thee is meer dan een idealisering van de manier van drinken; het is een godsdienst die de kunst van het leven vereert”, schreef Kakuzo. De ceremonie kan wel vier uur duren en kan thuis, in een speciaal voor dit doel gereserveerde kamer of in een theehuis worden uitgevoerd.Het is niet duidelijk of het de Nederlanders of de Portugezen waren die in het begin van de zeventiende eeuw als eersten thee naar Europa brachten, want beide landen dreven in die tijd handel met Azie – de Portugezen vanuit Macau op het Chinese vasteland en de Nederlanders vanaf Java. Aanvankelijk werd er alleen gehandeld in zijde, brokaat en specerijen, maar al gauw bevatten de ladingen ook thee. De Portugezen verscheepten Chinese theeen naar Lissabon en van daaruit vervoerde de Vereenigde Oostindische Compagnie goederen naar Nederland, Frankrijk en de Baltische havens. Rond 1610 verscheepten de Nederlanders vanaf Java voornamelijk Japanse thee, maar in 1637 schreven de bestuursleden van het V.O.C. aan hun gouverneur-generaal: “Nu de thee bij een deel van het volk ingeburgerd begint te raken, verwachten we naast Japanse thee ook enkele potten Chinese thee.”

De populariteit van de thee groeide onder de gehele Nederlandse bevolking en Nederlandse handelaren exporteerden voorraden naar Italie, Frankrijk, Duitsland en Portugal. Hoewel de Fransen en de Duitsers wel belangstelling voor thee toonden, is het er nooit een dagelijkse drank geworden, behalve in Ost-friesland (waar thee ook nu nog buitengewoon populair is) en onder de hogere klassen in Frankrijk. Madame de Sevigne beschreef in een van haar brieven hoe haar vriendin, de markiezin de la Sabliere, haar thee met melk dronk en dat Racine elke dag thee dronk bij zijn ontbijt. Maar tegen het eind van de zeventiende eeuw was koffie de populairste drank in zowel Frankrijk als Duitsland geworden en groeide de markt voor thee alleen nog in Rusland en Engeland.De eerste thee bereikte Rusland in 1618 en was een geschenk van de Chinezen aan tsaar Alexis. Een handelsoverenkomst, getekend in 1689, markeerde het begin van regelmatige handel. Karavanen van twee tot driehonderd kamelen trokken naar de grens bij Usk Kayakhta. De kamelen waren beladen met bont dat geruild werd voor thee. Elke kameel droeg vier kisten (ca. 300 kg) thee, waardoor de terugreis naar Moskou een lange was en de reis van de Chinese kweker naar de Russische klant zestien tot achttien maanden duurde. Tot het begin van de achttiende eeuw was de favoriete zwarte thee van de Russen (een melange die tegenwoordig nog door veel theehandelaren verkocht wordt als Russische Karavaan) duur en dus een drankje voor de aristocratie. Maar de voorraden groeiden snel en in 1796 dronken de Russen al meer dan 6000 kameelladingen thee per jaar. De karavaanhandel bleef bestaan tot de voltooiing van de transsiberische spoorlijn in 1903, waardoor Chinese thee, zijde en porselein in een week naar Rusland getransporteerd konden wordenEngeland ontdekt de thee

Ongetwijfeld zijn er in Engeland mensen geweest – leden van het koninklijk huis, aristocraten en kooplui – die al ver voor de vroegst beschreven verschijning van thee in Londen in 1658 van de drank gehoord hadden of hem zelfs al geproefd hadden, Thomas Garraway, een koopman met een winkel in Exchange Alley in het oude centrum van Londen, adverteerde als eerste voor die nieuwe produkt. Hij adverteerde in het Londense weekblad “Mercurius Politicus” van 23-30 september 1658: “Die Voortreffelijke, en door alle Doctoren goedgekeurde drank uit China die de Chinezen Tcha noemen en in andere Landen Tay ofwel Tee wordt genoemd, is te koop bij The Sultaness Head, een koffiehuis in Sweetings Rents bij de Royal Exchange in Londen.”
Twee jaar later, ongetwijfeld met het doel de verkoop te vergroten, schreef Garraway een uitgebreid pamflet getiteld “Een Exacte beschrijving van de Verbouw, kwaliteit en Deugden van het Theeblad,” waarin hij beweerde dat thee bijna elke aandoening kon genezen: “het maakt het Lichaam actief en krachtig . Helpt bij Hoofdpijn, duizelingen of zwaarheid in ‘t hoofd  neemt ademhalingsproblemen en Obstructies in de luchtwegen weg . Verheldert het Gezichtsvermogen . Het doet zware Dromen verdwijnen, kalmeert de Hersenen en versterkt het geheugen, het overwint overtollige slaap en voorkomt Slaperigheid in het algemeen . Het is goed tegen Verkoudheden, Waterzucht en Scheurbuik en gaat infectie tegen.”
In Engeland werd thee eerst als medicijn op de markt gebracht, voornamelijk om Cromwell (1599 – 1658) en de puriteinen (ca. 1649), die luxe verfoeiden, een rad voor ogen te draaien.In 1662 nam het lot van de thee in Engeland een gunstige wending, toen koning Charles II trouwde met de Portugese prinses Catherina van Braganca. De nieuwe koningin van Engeland stond al lang voor ze voor de bruiloft arriveerde bekend als theedrinkster en als deel van haar bruidsschat bracht ze een kist Chinese thee mee. Ze begon deze te serveren aan haar aristocratische vrienden aan het hof, waarna het nieuws over de nieuwe drank de ronde deed en steeds meer mensen hem zelf wilden proeven. Maar met prijzen die varieerden van 16 tot 60 shillings (ca. f. 3,60 tot f. 13,50) per pond bleef thee in die vroege periode een drank voor de rijke en modebewuste burger.

Dames dronken de thee gewoonlijk thuis, terwijl de heren hem dronken in de koffiehuizen, die al sinds 1650 in het stadsleven ingeburgerd waren. Elk koffiehuis had een eigen afzonderlijke klantenkring: bankiers, effectenmakelaars, politici, journalisten of dichters. De verzekeringsmaatschappij Lloyds ontstond in Edward Lloyds koffiehuis in Londen, waar Mr. Lloyd voor het gemak van zijn klanten dagelijks een lijst maakte van alle schepen en ladingen die uit de haven van Londen vertrokken. In 1706 opende Thomas Twining, oprichter van het wereldberoemde gelijknamige theebedrijf, Tom’s Coffee House in de buurt van Strand, even buiten de oude stadsmuren van Londen. In 1717 werd de zaak uitgebreid in omgedoopt tot the Golden Lyon. Hij werd beroemd omdat er alleen losse bladthee te koop was en omdat er zowel mannen als vrouwen kwamen (voorheen mochten vrouwen niet in koffiehuizen komen en zou een echte dame ook geen voet in zo’n mannelijke gelegenheid vol rook, alcohol, mannenpraat en schuine moppen willen zetten).De hoge prijs van thee was te danken aan de zware belasting die Charles II op diverse populaire artikelen had gelegd. Op elke gallon (4,5 liter) thee, koffie en chocolade zat 8 pence (18 cent) belasting en vanaf 1670 maar liefst 2 shilling (48 cent). In 1689 kostte de goedkoopste thee 7 shilling (f. 1,66) per pond: bijna het hele weekloon van een gemiddelde arbeider. Er was echter een toenemende vraag bij zowel de armen als de rijken wat leidde tot een gezonde zwarte markt die thee vanuit Nederland smokkelde. De hele samenleving – politici en priesters inbegrepen – raakte betrokken bij de clandestiene opslag en verspreiding van voorraden. Om de beperkte hoeveelheden van het echte produkt en dus de winst te vergroten, werd de thee vaak vermengd met andere bladeren (bijvoorbeeld zoethout en sleedoorn), werden gebruikte bladeren gedroogd en gekleurd met melasse of klei, en werden essenbladeren gedroogd, gebakken, platgestampt, gezeefd en in schapenmest geweekt. Een overheidsbesluit van 1725 legde smokkelaars en gewetenloze handelaren een boete op van 100 pond (f. 450,-) op en in 1730 werd dit verhoogd tot 10 pond (f. 45,-) per pond thee. In 1766 werden daar ook nog gevangenisstraffen aan toegevoegd. Groene thee was gemakkelijker te vervalsen dan zwarte en om verdunde voorraden te vermijden wendde de consument zich steeds vaker tot de zwarte theeen die de kwekers uit de Ming-dynastie waren gaan produceren voor de buitenlandse markt.In de loop van de achttiende eeuw werd thee de populairste drank van Engeland en werden bier bij het ontbijt en gin op andere tijden van de dag door thee vervangen. De theeconsumptie steeg van 33.369 kilogram in 1701 naar 2.457.736 kilogram in 1781 en een enorme belastingdaling in 1784 (van 119 procent naar 12,5 procent) leidde tot een grote toename, zodat in 1791 een totaal werd bereikt van 7.548.420 kilogram. Men dronk de thee thuis en in de nieuwe, populaire theetuinen van Londen. De koffiehuizen werden in het begin van de achttiende eeuw gesloten (rond die tijd waren ze een trefplaats voor leeglopers en louche types geworden) en vervangen door parken aan de rand van de stad, waar mensen van alle rangen en standen, inclusief leden van het koninklijk huis, kwamen om een frisse neus te halen, thee te drinken en vermaakt te worden. De beroemdste, bij Marylbone, Ranelagh en Vauxhall, boden naast thee en andere hapjes en drankjes ook concerten, vuurwerk, spectaculaire verlichting, gokken, bowls, boottochtjes, balzalen met orkesten en wandelpaden geflankeerd door bloemen. De snelle groei van Londen in het begin van de negentiende eeuw en een groeiende voorkeur voor verfijnder en opwindender vormen van vermaak leidden echter uiteindelijk tot de sluiting van alle theetuinen.
Daarna ontstaat de Engelse Tea, waaraan een apart artikel gewijd is.

Bron: Thee van Jane Pettigrew