Hypo’s (hypoglycemie) en hypers (hyperglycemie) zijn ontregelingen van de bloedglucosewaarden.
Bij een niet-diabeet liggen de bloedglucosewaarden tussen de 4 en 8 mmol/l. Bij een diabeet kunnen die waarden sterk uiteenlopen. Dit is afhankelijk van een groot aantal factoren. We spreken van een goed ingestelde diabeet als de waarden tussen de 4 en 10 mmol/l liggen.

Hypo
Bij een hypo is de bloedglucosewaarde onder 4,0 mmol/l.
De verschijnselen van een hypo zijn voor iedere diabeet verschillend, maar zijn globaal als volgt te herkennen:

glucosespiegel symptomen/uiterlijke kenmerken
3 – 3,5 mmol/l gestoorde fijne motoriek, concentratieverlies
2,5 – 3 mmol/l hartkloppingen, zweten, beven, angstgevoelens, hongergevoel, verwardheid, hoofdpijn, dromen
2 – 2,5 mmol/l vermoeidheid, dubbel zien, ernstige sufheid
1 – 2 mmol/l onwillekeurige spierbewegingen, agressief gedrag, voorbijgaande verlammingen, spraakuitval, coma (wijde pupillen)

De oorzaken van het ontstaan van een hypo zijn:

-te weinig of te laat eten
-te veel insuline gespoten
-te veel tabletten ingenomen
-meer beweging dan normaal
-te veel alcohol
-verkeerde spuittechniek
-verkeerde combinatie van medicijnen
-hoge buitentemperatuur (de insuline wordt dan sneller opgenomen)
-gebruik van medicijnen die het bloedglucoseverlagend effect van tabletten versterken.

Wat te doen bij een hypo?

Zodra de eerste verschijnselen zich voordoen: meten!
Al naar gelang van de uitkomst van de bloedglucosewaarde een aantal druivesuikertabletten nemen (gemiddeld zorgt 1 tablet druivesuiker -dextrose- voor een stijging van ongeveer 0,5 mmol/l) of andere koolhydraten die snel in het bloed worden opgenomen zoals bijvoorbeeld sportdrank, gezoete frisdrank en, om te voorkomen dat kort daarna weer een hypo optreedt, een boterham, een appel of andere koolhydraten eten die langzaam in glucose worden omgezet.

Het is geen uitzondering dat na een hypo de bloedglucosewaarde erg hoog is. Dit kan te maken hebben met het innemen van te veel koolhydraten, maar het is zeer waarschijnlijk het gevolg van het feit dat het lichaam zelf met behulp van onder meer het hormoon glucagon, probeert de bloedglucose weer te laten stijgen.

Als de hypo zo ver is gevorderd dat de diabeet niet meer aanspreekbaar is, zelf niet meer kan eten en drinken of in coma is geraakt, moet een arts worden gewaarschuwd. Snel handelen is daarbij belangrijk.
Partners van diabeten kunnen in een dergelijk geval ook een injectie glucagon (of glucagen) toedienen. Deze stof maakt glucose vrij uit de lever. Normaal gesproken komt de diabeet daarna weer snel – na ongeveer 10 minuten – bij kennis.

Het doormaken van een hypo kost veel energie. Meestal voelt de diabeet zich na een hypo moe. Lichte hypo’s zijn niet gevaarlijk, veel meer schade kan worden aangericht door hypers.

Hyper
Bij een hyper is er sprake van een te hoog bloedglucosegehalte (hoger dan 10 mmol/l). Anders dan bij een hypo zijn de waarschuwingssignalen van een hyper vaak niet zo extreem waarneembaar. Dat is ook de reden dat de diabetes vaak pas laat wordt ontdekt bij type 2 diabeten. Zij hebben doorgaans geen of lichte moeilijk te herkennen klachten.
Veel diabeten herkennen de verschijnselen van een hyper uit de periode voor de ontdekking van hun diabetes.

Deze zijn onder meer:

-dorst en veel drinken
-vermoeidheid
-slaperig
-weinig eetlust
-veel plassen
-gewichtsverlies
-jeuk
-wazig zien.

Ook een hyper wordt door elke diabeet anders ervaren. De oorzaken van een hyper kunnen zijn:

-te veel gegeten
-te weinig insuline gespoten
-te weinig tabletten ingenomen
-minder beweging dan normaal
-stress
-ziekte met koorts
-medicijnen (bijv. Prednison en sommige plastabletten)
-verkeerde manier van spuiten.

Wat te doen bij een hyper?
Bij een hyper kunt u een aantal dingen doen:

-meten!
-bewegen
-insuline bijspuiten (eventueel in overleg met de arts of diabetesverpleegkundige)
-veel drinken. Bij braken en uitdroging altijd een arts waarschuwen.

Te hoge bloedglucosewaarden (boven 10 mmol/l) kunnen op langere termijn leiden tot complicaties. Hyperglycemie kan een schadelijk effect hebben op ogen, nieren, hart- en bloedvaten en zenuwen. Een goede instelling kan deze complicaties uitstellen of zelfs voorkomen.