HbA1c/GHb-bepaling
Geglyceerde (versuikerde) eiwitten in de hemoglobine, rode kleurstof van het bloed. Geeft de gemiddelde bloedglucosewaarde over een periode van 8 – 10 weken.

Hdl
‘Goed’ cholesterol.

Hemoglobine
Stof in de rode bloedcellen die zuurstof bindt.

HLA-genen
Erfelijke onderdelen van het afweersysteem.

Honeymoonfase
Komt alleen voor bij type 1 diabeten. Het is de periode waarin, nadat met de behandeling van diabetes is begonnen, het lichaam voor een korte periode (varierend van 3 weken tot 1 jaar) zelf weer genoeg insuline aanmaakt, waardoor toediening van insuline van buitenaf niet meer nodig is.
Dit wordt veroorzaakt doordat de alvleesklier door het toedienen van de insuline, direct na de diagnose diabetes, rust krijgt en daardoor weer iets beter gaat functioneren. De grens waarbij diabetes wordt geconstateerd ligt op ongeveer 30% van de totale productie. Net als bij andere organen heeft het lichaam de nodige reserve ingebouwd. Tijdens de honeymoonfase komt de eigen productie weer even boven die grens.

Hormonen
Stoffen die regelend werken bij belangrijke lichaamsprocessen.

Huidplooitechniek
Bepaalde techniek om een subcutane injectie toe te dienen. Door een huidplooi op te pakken (bijvoorbeeld op de buik) ontstaat een kleine ruimte tussen de huid en de spieren. Door de injectienaald onderaan de huidplooi door de huid te prikken, kan de insuline tussen huid en spieren worden geinjecteerd.

Hyper(glycemie)
Te hoge bloedglucosewaarde (hoger dan 10 mmol/l).

Hyperinsulinisme
Het insulinegehalte in het bloed is te hoog. Kan optreden als het lichaam teveel insuline maakt of als er teveel insuline is gespoten. Teveel insuline leidt tot een daling van de bloedglucosewaarden tot een te lage waarde.
Zie ook: hypoglycemie.

Hyperlipidemie
Het bloed bevat teveel vetten (lipiden). Komt bijvoorbeeld voor bij een ontregelde diabetes.

Hypertensie
Hoge bloeddruk.

Hypoglycemia unawareness
Het minder goed aanvoelen van hypoglycemieen.

Hypo(glycemie)
Te lage bloedglucosewaarde (lager dan 4 mmol/l). Meestal worden hiermee vooral de erbij behorende klachten bedoeld.

IADM
Insuline-afhankelijke diabetes mellitus.

Immunosuppressiva
Geneesmiddelen die afstotingsreacties tegengaan door het afweersysteem als het ware stil te leggen.

Immuunsysteem
Afweersysteem.

Impotentie
Verlies van vermogen tot peniserectie en/of zaadlozing. Sommige mannen met langdurige diabetes worden impotent omdat de zenuwbanen beschadigd raken.

Injectie
Vloeistof in het lichaam brengen door middel van een naald en een spuit. Insuline gebruikende diabeten injecteren (spuiten) de insuline door de naald in het onderhuidse weefsel te steken (= subcutaan). Twee andere manieren van injecteren zijn: intraveneus (in een bloedvat) en intramusculair (in een spier).

Injectieplaatsen
Plaatsen op het lichaam waar de insuline het makkelijkst kan worden gespoten zijn:

de bovenarmen
de bovenbenen
de buik
de billen
Regelmatig wisselen van injectieplaatsen wordt aanbevolen. Gebruik steeds hetzelfde lichaamsdeel op hetzelfde tijdstip van de dag, waarbij het niet uitmaakt in welke arm, bil, de plaats op de buik of welk been wordt gespoten. Daarmee worden onderhuidse verdikkingen (= insuline- hypertrofie) en huidintrekkingen (= insuline-atrofie) voorkomen.

Instabiele diabetes
Diabetes waarbij het bloedsuikergehalte sterk schommelt van hoog naar laag en omgekeerd.

Insuline
Hormoon dat wordt gemaakt in de beta-cellen van de Eilandjes van Langerhans. Zorgt ervoor dat glucose uit het bloed de cellen in de weefsels in kan gaan en verlaagt zo de bloedglucosewaarde.

Insuline-afhankelijke diabetes
Zie type 1 diabetes.

Insuline-atrofie
Kleine huidintrekkingen tengevolge van herhaalde insuline-injecties op dezelfde plaats. Op zich een onschuldige afwijking.

Insuline-hypertrofie
Kleine bultjes tengevolge van herhaalde insuline-injecties op dezelfde plaats.

Insulinepen
Wordt gebruikt om insuline te injecteren. Is verkrijgbaar in verschillende vormen en merken, afhankelijk van het soort en merk insuline dat wordt gebruikt. Een pen is voorgevuld met insuline. De te injecteren hoeveelheid is eenvoudig in te stellen.

Insulinepomp
Apparaatje dat insuline continue en automatisch via een slangetje met een naaldje onder de huid inspuit.

Insuline-receptoren
Gebieden aan de buitenkant van een cel, waaraan insuline uit het bloed zich kan binden. Wanneer de insuline zich bindt, kan de cel de suiker (glucose) uit het bloed opnemen en omzetten in energie.

Insuline-resistentie
Het lichaam is ongevoelig geworden voor insuline. Wanneer dit het geval is, zijn hoge doses insuline nodig om een daling van het bloedsuiker (glucose-)gehalte te bewerkstelligen (200 eenheden of meer per dag). Komt voor bij diabeten die te zwaar zijn en verbetert vaak na gewichtsverlies.

Insulinoma (Insulinoom)
Een tumor van de betacellen van de Eilandjes van Langerhans in de alvleesklier. Deze tumoren zijn gewoonlijk niet kwaadaardig, maar veroorzaken een abnormaal grote insulineproductie waardoor het bloedsuikergehalte te laag kan worden.

Intramusculaire injectie
Injectievloeistof door middel van spuit en naald direct in een spier spuiten.

Intraveneuze injectie
Injectievloeistof door middel van een spuit en naald direct in een bloedvat spuiten.