Honger en verzadiging medisch verklaard

Een medisch verhaal over verzadiging en honger Bij de regulatie van de voedselinname spelen honger en verzadiging een belangrijk rol. Een lege maag geeft een hongergevoel. Het hongergevoel wordt gestimuleerd door het zien, ruiken en proeven van voedsel.
Een volle maag geeft een gevoel van verzadiging. Voeding met veel voedingsvezel werkt verzadigend. Bovendien remmen voedingsvezels de maagontleding, zodat het gevoel van verzadiging lang aanblijft.

Als het bloedglucosegehalte laag is, ontstaat een hongergevoel. Dit gevoel verdwijnt, wanneer het bloedglucosegehalte stijgt. Meestal ontstaat een laag bloedglucosegehalte vier uur na de maaltijd.

Als het bloedglucosegehalte sterk stijgt, wordt er extra insuline geproduceerd. Het bloedglucosegehalte daalt daardoor snel en diep. Dit gebeurt na het eten van koolhydraatrijke voedingsmiddelen zonder of met weinig voedingsvezels, zoals frisdrank, koek en snoep. Dit soort voedingsmiddelen nodigt al weer snel uit tot eten en kan daardoor overgewicht veroorzaken.

Gevoelens van honger en verzadiging komen vanuit de hersenen, vanuit de hypothalamus, waar zich het honger- en verzadigingscentrum bevindt. Bij de regulatie van honger en verzadiging spelen allerlei stoffen een rol die de communicatie verzorgen tussen de zintuigen, het maagdarmkanaal, het bloed en de hypothalamus. Deze stoffen geven de signalen van deze verschillende systemen door en worden daarom boodschappers of ?transmitters? genoemd.

In de dunne darm wordt cholecystokinine geproduceerd zodra er voedsel in dunne darm komt. Vooral vet voedsel stimuleert de afgifte van cholecystokinine. Deze stof remt de maagontlediging en heeft een eetlustremmende werking in de hersenen.

Serotonine is een neurotransmitter dat het verzadigingscentrum stimuleert. Een tekort aan serotonine leidt tot overeten, in het bijzonder van koolhydraten. Mogelijk speelt een serotoninetekort bij sommige mensen met overgewicht een rol. Een laag serotoninegehalte kan ook de oorzaak zijn van depressies bij mensen met overgewicht.

Oestrogenen (vrouwelijke geslachtshormonen) spelen ook een rol bij de regulatie van honger en verzadiging. Sommige vrouwen eten enkele dagen voor de menstruatie meer, omdat het oestrogenengehalte is verhoogd. Anticonceptiva met een hoog gehalte aan oestrogenen kunnen door hun invloed op het hongergevoel tot overgewicht leiden.

Opioiden (endorfinen) zijn natuurlijke pijnstillers. Ze stimuleren het hongercentrum. Mogelijk worden eetbuien veroorzaakt door een hoog endorfinegehalte.

Omdat in de regulatie van honger en verzadiging chemische stoffen een rol spelen, is het niet verwonderlijk dat vrij veel geneesmiddelen invloed hebben op de eetlust.

Eten kan een compensatie betekenen voor onaangename gevoelens. Tekort aan liefde en waardering, eenzaamheid, verveling, spanningen en depressieve gevoelens worden ?weggegeten?.

Uit onderzoek is gebleken dat dikke mensen zich in hun voedselconsumptie veel meer laten leiden door externe prikkels dan door interne prikkels.
Externe prikkels zijn het uiterlijk, de geur en de smaak van voedsel, de tijd, enzovoort. Interne prikkels zijn de gevoelens van honger en verzadiging door een laag, respectievelijk hoog bloedglucosegehalte en een lege, respectievelijk volle maag.
Niet-dikke mensen laten zich in tegenstelling tot dikke mensen meer leiden door interne prikkels dan door externe prikkels.

Lijngericht eetgedrag kan oorzaak zijn van overgewicht. Door veelvuldige pogingen om af te vallen en even zovel mislukkingen, ontstaan een steeds negatiever zelfbeeld en negatievere zelfwaardering. Opvallend is vaak dat zo?n persoon bij de eerste de beste keer ?zondigen? de moed al laat zakken, omdat zoiets direct als een bevestiging wordt ervaren dat hij/zij het niet kan. Lijnen kan leiden tot prikkelbaarheid, depressiviteit en boulimie.
Het telkens afvallen en weer in gewicht aankomen wordt jo-jo-en genoemd. Het jo-jo-effect heeft mogelijk tot gevolg dat de ruststofwisseling daalt. Elke hernieuwde poging om af te vallen wordt daardoor moeilijker.

Genetische factoren spelen een rol bij vetzucht, maar omgevingsfactoren bepalen mede of de erfelijke aanleg tot uiting zal komen. Onderzoek onder eeneiige tweelingen die in verschillende gezinnen ? een ?dik? en een ?slank? gezin ? werden opgevoed en onder adoptiekinderen laat zien dat de aanleg voor adipoitas erfelijk bepaald is, maar dat het al dan niet dik worden ook afhangt van de omgeving. Dikmakende gewoonten (voedselgedrag en ?keuze, inactiviteit) worden door de opvoeding overgedragen.

7 Reacties

  1. Ik kan het niet mee nemen, ik krijg een warning enz….
    Groetjes

  2. Ik neem dit artikel ook mee.
    Groetjes

  3. erie_fraters

    10 april 2005 at 13:10

    Ik heb je artikel favoriet gezet.

    Vrg., Erie

  4. Hoi Dir,
    Ik ben gek op dit soort info en gelukkig ben ik per toeval op jouw pagina terecht gekomen. Heb je artikel meegenomen.
    Bedankt
    Netta

  5. heb het dus meegenomen naar mijn pagina.
    Hartelijk dank,
    Marijke

  6. Neem t mee naar mijn page.

    Bedankt,
    Christel

  7. neem dit mee,
    Louise

Geef een reactie