Onze aarde kent rond 400.000 planten. kent rond 400.000 planten, waarvan een 3000-tal als geneeskrachtig te boek staat; rond 200 daarvan worden algemeen als geneeskruiden gebruikt.
Het toepassen van de plant als genees- en heelmiddel heet fytotherapie.
Die toepassing is zo oud als de geneeskunde zelf. De namen van de beroemdste geneesheren uit de geschiedenis van onze westerse be­schaving zijn verbonden met het voorschrijven van planten als medi­cijn: De Griekse artsen Hippocrates (4e eeuw voor c., ‘vader van onze geneeskunde’ genoemd) en Theophrastos (3e eeuw v.c.), de in het klassieke Rome praktiserende Grieken Dioskorides (1e eeuw n.c.) en Ga1enus (2e eeuw n.c.) en de Romeinse geneesheer Apuleius (2e eeuw n.c.).
In andere culturen gaat de fytotherapeutische traditie nog verder terug. In China stammen plantenrecepten uit een farmacopee (ge­neesmiddelenboek) van 3000 v.c. uit rond 2000 v.c. dateren derge­lijke recepten van Egyptenaren en Soemeriërs.
Ook bij cultuurvolke­ren uit latere perioden stond de beoefening van de plantengeneeswijze op hoog peil.
In de huidige tijd heten, naast natuurvolkeren, Zigeuners en Bedoeïen volkeren met een grote kennis van kruiden.
De 19e eeuw zag in de westerse wereld een snelle opkomst van de farmacologische industrie, die chemische en synthetische produkten maakte ter vervanging van oorspronkelijk veelal in planten ontdekte geneeskrachtige stoffen.
Maar al aan het einde van de 19e eeuw keerde de belangstelling voor de geneeskrachtige planten terug.
De Franse arts Henri LeClerc onderwierp de kruidengeneeskunde zelf aan natuurwetenschappelijke criteria: hij was het, die de term fyto­therapie introduceerde.
In Frankrijk en in veel andere landen maakt deze fytotherapie al geruime tijd deel uit van de officiële geneeskunde – anders dan in Nederland, waar bij het onderwijs aan de medische faculteiten geneeskruiden niet ter sprake komen.
De weerstand tegen de – vaak modebepaalde – overconsumptie van industriële farmaceutica leidt echter ook in ons land de laatste jaren tot
een toenemende belangstelling voor zuiver plantaardige geneesmid­delen.De fytotherapie past planten toe om aandoeningen te voorkomen, te verlichten of zelfs te genezen.
Hiervan onderscheidt zich de homeopathie, die zich behalve van plánt­aardige ook van dierlijke stoffen, delfstoffen en chemische verbindin­gen bedient.
De homeopathie kenmerkt zich verder door het uit­gangspunt, dat ‘het gelijke het gelijke geneest': een kwaal wordt bestreden met een middel, dat bij een gezond mens juist die kwaal zou veroorzaken.
Kenmerkende methode is daarbij het toepassen van sterk verdunde oplossingen, ‘potenties’.
Een ‘hoge potentie’ is een sterke verdunning. Gebruikt de homeopathie plantedelen, dan ge­beurt dat veelal in de vorm van tinctuur, hetgeen wil zeggen het product van het macereren (= koud weken) van de stof in alcohol.
De fytotherapie werkt harerzijds meer dan met tincturen met decocten (= afkooksels) en infusen (= aftreksels).
Onder natuurgeneeswijze wordt verstaan genezing door het onder­steunen van de geneeskracht, die in het organisme zelf aanwezig is.
Natuurgeneeswijzen zijn bijvoorbeeld heliotherapie (genezing met zonlicht), hydrotherapie (genezing met water), thalassotherapie (ge­nezing met zeewater).
In Groot-Britannië wordt onder natuurgenees­kunde ook wel mede begrepen het toepassen van homeopathische middelen en geneeskruiden.
In Duitsland omvat wat ‘biologische ge­neeswijze’ wordt genoemd behalve de hiervoor gegeven voorbeelden van natuurgeneeswijzen ook methoden als acupunctuur, ozontherapie en celtherapie. In Frankrijk wordt de fytotherapie, evenals bijvoor­beeld de laatstgenoemde therapiën, wel als een natuurgeneeswijze (médecine naturelle) beschouwd.

Werking:
De werking van de geneeskrachtige planten wordt toegeschreven aan een aantal werkzame bestanddelen, elk met een bepaald effect, waar­van in een beknopte opsomming kunnen worden genoemd: looistof­fen, bitterstoffen, etherische (= vluchtige) oliën, slijmstoffen, alkaloÏ­den (een groep plantaardige basen), glucosiden (= verbindingen met suikermoleculen), organische zuren, chlorofyl en kiezelzuur.leert echter, dat de werking van een plant meer is dan de werking van één bepaald uit die plant geïsoleerd geneeskrachtig bestanddeel: het is de
hele plant, niet het ene bestanddeel, die geneest. Die opvatting lijkt haar bevestiging te vinden in een Nederlands proefschrift, waarvoor onder meer de werking van de welbekende ui en thijm werd onderzocht. Het therapeutisch effect
van de planten toe schrijft met toe juist als ‘totaal natuurlijk com­plex’.
Een natuurwetenschappelijke benadering, die begrijpelijkerwijs ook spreekt uit boeken als die van de apotheker dr. W. F. Deams en drogist J. Petiets. is er de meer astrologisch-in­ruïtief of zelfs magisch gerichte opvatting, zoals die spreekt uit boeken als die van Mellie Uyldert en Jaap Huibers.’

Naast het rauw toepassen als cataplasma (= omslag) of rauw innemen van plantedelen, over infuus, decoct en macereren.

Een infuus is een aftreksel.
Het wordt bereid als thee zetten: kokend water opschenken en zo lang laten trekken als in het recept staat aangegeven.
Daarna wordt het infuus gezeefd door een fijne zeef of doek, waarbij de geïnfuseerde plantedelen nog krachtig worden uitge­knepen.

Een decoct is een afkooksel: de plant wordt zo lang in water gekookt als in het recept staat aangegeven. Daarna wordt dit water, het decoct, gezeefd, waarbij de gedecocteerde plantedelen nog krachtig worden uitgeknepen.

Macereren is weken: de plantedelen worden in water of andere vloei­stof koud geweekt. Macereren in alcohol levert een tinctuur op; ma­cereren in wijn een medicinale wijn.

Gewichts­procenten:
een 10% infuus is dus een aftreksel van 10 gram plantedelen op 100 gram water,
of 20 gram plantedelen op 200 gram water, enz.
Een 5 % decoct is dus een afkooksel van 5 gram plantedelen op 100 gram water, of 10 gram plan­tedelen op 200 ggram water, enz.

A. F. H. HIJMANS (1961). Arts
W. F. DAEMS, Geneeskruiden, uitg. LSM, Gorssel 1973.
J. PETlET, Geneeskruiden, uitg. Benedictus, Hilversum 1977.
Mellie UYLDERT, Lexicon der geneeskruiden, uitg. De Driehoek, Amsterdam 1977
Jaap HUIBERS, Kruiden-Ankertjes, uitg. Ankh-Hermes, Deventer.