1953-2003 Herinneringen aan de ramp

Dit zijn herinneringen van mensen die de ramp zelf hebben meegemaakt en wat ze toen beleeft hebben.

Ik wil graag deze herinneringen met jullie delen,
deze stonden in een speciale bijlage van de PCZ.
Ik heb er geen foto’s bij gezet omdat ada50 die heeft.

_____________________

Kijk ook eens op deze site van de PZC.

http://www.pzc.nl/krant/pzc/water/watersnoodramp/

______________

Eerste herinnering,
Van Ria Daalman uit Zwolle.

Op 1 februari 1953 woonde ik in Duivenhoek waar toen acht van de tien slachtoffers zijn gevallen in Zeeuws-Vlaanderen.
Ik was drie jaar en had twee broers en een zus.
Die nacht heeft mijn vader met andere geprobeerd de coupures van de binnendijk die vlak achter ons huis lag te dichten.
Toen ze gewaarschuwd werden dat het water al over de dijk kwam, zijn ze naar huis gegaan.
Mijn vader heeft me op zijn arm genomen en naar een veel hoger gelegen huis gebracht.
Ondertussen heeft mijn moeder de kinderen aangekleed en wachte tot mijn vader hen op kwam halen.
Maar de dijk brak vlak naast ons huis door en sleurde hen allemaal mee.
Mijn jongste broer kwam onder het puin terecht.
Hij was 30 januari zeven jaar geworden.
Mijn oudste broer kwam in een boom en is later gered.
Mijn zus is iets verder bij de overburen bij een muurtje beland, waar ze zich aan heeft vastgehouden.
Maar het water steeg.Ze was acht jaar.
Mijn Moeder belandde in een sloot vlakbij mijn oudste broer en kwam vast te zitten in het puin en kan niet weg.
Later bleek dat ze door onderkoeling is gestorven.
De buurvrouw was een aangetrouwde tante van ons en is ook verdronken.
Daarnaast was een gezin van vier personen waarvan de ouders 31 januari veertig jaar getrouwd waren geweest.
Ze zijn ook verdronken.
Ik zelf heb een paar beelden op mijn netvlies van die nacht,
Wat het met me gedaan heeft is bepalend gebleken voor de rest van mijn leven

Tweede herinnering
van W.J van de Sande-Kooman uit Oosterland

Ik was een meisje van 6 jaar en woonde in mijn geboorteplaats Nieuwerkerk.
Zondagmorgen vroeg 1 februari klopte de buurman op het raam van de slaapkamer in de Muyeweg en riep mijn vader uit bed omdat de dijk was doorgebroken.
Ze liepen samen de Muyeweg op.
In die tijd liepdie weg een beetje omhoog naar de Ooststraat.
Al pratende vroegen ze zich af wat hen te doen stond, toen ze in de verte een kolkende massa aan hoorden komen en maakten dat ze thuis kwamen.
Het water kwam heel snel,want toen mijn vader de voordeur binnen kwam, liep het water al in de gang wat met de nodige kracht gebeurde.
Vlug werd alles wat van waarde was naar boven gesleept, toen begon het lange wachten.
We zaten daar met ons drieen,pa ,ma en ikzelf, em wachten in spanning af op wat er zou gaan gebeuren.
We zagen het water al verder en verder naar boven komen,en op een geven moment kwam het zo hoog dat mijn vader zeidat we op de koekoekvan het dak moesten klimmen want anders zouden we het niet redden.
Ik weet noet goed meer hoe dat ons gelukt is, maar op een gegeven ogenblik zaten we op de koekoek met ons drietjes en was de buurman met vrouw en kind ook op hun koekoek geklommen.
Ik kan me alleen maar het lawaai herinneren van die bulderende storm, het gillen van mensen en het zien van mensen die op vlotten ronddreven en soms ergens tegenaan kwamen en iets zochten om zich aan vast te klampen.
Het water steeg hoger en hoger.
Naast ons aan de linkerzijde waren al twee huizen ingestort en we hoorden de mensen schreeuwen om hulp, die niet gegeven kon worden want er was niets anders dan water, ijskoud water, en vlotten die voorbij dreven.Van C.C.N van der Graaf uit Goes.

Hierbij mijn herinnerigen ongeveer twaalf jaar geleden opgeschreven.
Nieuwerkerk, ik was toen dertien jaar.
Gelukkig, het water steeg niet meer.
Was dat omstreeks tien uur s’morgens?
Ik weet het niet presies. Nu was het volgens de “groten” vloed,dus nog even en het zou gaan zakken.
Het was geen vloed. Het bleek laagwater en toen begon het pas.
Eerst wilden we dat niet voor elkaar weten, we ontkenden als iemand het zei. Dat gebeurde ook toen het water op de bovenste verdieping kwam. Dat heette eerste ‘natte voeten’, totdat het niet meer ontkent kon worden omdat het trapgat vol stond en het overal kwam.
Toen gingen ook op zolder dingen omvallen.
dat geklots en dingen die omvielen of klapperden!
Jaren later irriteerde het klapperen van touwen aan bouwsteigers nog.
Het water steeg nog steeds.Je hoorde mensen om hulp roepen. Gegil. Stuken van daken kwamen langs.
Je kon niet meer zien of het huis van deze of gene nog stond. het leek allemaal anders. We zagen huizen die we anders bij ons vandaan niet konden zien. Daar stond het huis van die en die, waar was dat nu?
Moeder bad hardop voor ons allemaal.
Er werd afgesproken in welke volgorde en wie wie zou helpen op het dak te klimmen als het huis instortte.
Toen hebben we elkaar gedag gezegd.
Ik vroeg me af of je het lang benauwd zou hebben als je verdronk.
Langer dan drie minuten zou het toch niet zijn , en dan was ik bij God en bij Piet en Fie, die waren daar toch ook al.
Ik vond het zielig voor de anderen als wij er met z’n vijven ineens niet meer zouden zijn.
Er werd niets meer gezegd. Ik zat gearmd met m’n moeder.
Ineens geklots en gesnuif, kwam er zo’n groot Zeeuws paard met z’n hoofd op een balk langs zwemmen.

Vierde Herinnering:
Van Albert Goeman,Yerseke.

De dokter at tut ok raezend druk.
Werk genoeg voe zun. Onderkoeling en gebroken ledematen kwamen vee voor.
En toen de dokter, flink eholpen deur mensen van de EHBO, even asem kon scheppen docht ie ineens an Jannekee, een oud vrouwtje die a twintig jaer op bedde lag.
Ze was verlamd en kon nie lopen.
Ze kwam nooit vadder as van de bedstie ni d’r stoel en trug.
Ze wunde saemen mie d’r zuster die a ze aal dien tied verzurgd aa in een klein uusje onder an een diek.
Di zou ‘t water noe ok staen, docht ten dokter.
Ie sprong in zun auto en ree ter over een diek ni toe.
Meschien kwam ie tog nog op tiet om ze te redden, eur en der zuster.
En toen wist ie nie wat a ten zag.
Ie kon zun ogen nie gloven.
Wie kwam dir anelopen, mie wapperende rokken?
Dat kon Jannekee toch nie zien.
Ie stopte bie dat vrouwtje en zei:”Maar Janne-kee, Loop jij nu zomaar?”
“Netuurlijk dokter,ik mo we ee, ik mo toch zeker nie verzupen?”

vijfde herinnering:
Van A.A.Davidse-de Groot, Herveld-noord

Als niet-Zeeuwse woonde ik, als meisje van acht jaar, samen met mijn ouders, twee zusjes en twee broertjes aan de Daalsedijk in Utrecht.
Het leek ver weg van de grote watersnood maar dat veranderde ploseling.
Via het maatschappelijk werk, waar een vriendin van mijn moeder werkte, werd mijn ouders gevraagd of zij opvang konden verlenen aan een gezin van wie de moeder in een ziekenhuis was opgenoemen.
Daar hoefde niet lang oevr nagedacht te worden.
Zo kwam de familie Boer uit Kerkwerve in ons leven.
Het was een groot gezin en zij woonden op een boerderij.
Mevrouw Boer was er slecht aan toe en werd verpleegd in een van de Utrechtse ziekenhuizen.
Omdat heen en weer reizen op een dag onmogelijk was kwam meneer Boer ieder weekend bij ons logeren.
Hij kreeg onze slaapkamer en wij trokken “s avonds naar boven.
We offerden ons niet op, we deden het gewoon.
Van meneer Boer hoorden we ook de andere verhalen: Hoe erg de overstroming was,de Vermissingen,de slachtoffers, maar ook van de hulp die masaal geboden werd.
We zagen de zorgen, het verdriet, maar ook de dankbaarheid en we hadden plezier met elkaar.
Gelukkig knapte mevrouw Boer langzamerhand weer op en na verloop van tijd mocht ze naar huis voorzover er dar nog stond.
Als mijn ouders later in Zeeland kwamen gingen ze altijd even bij ze langs en is het contact nog lang in stand gebleven.

Zesde herinnering:
van A.v.d.Sluis, Zierikzee.

Later toen de hulpverlening op Schouwen-Duiveland op gang was gekomen.
Kwamen de militairen met hun amfibievoertuigen die zo van de havendijk het havenkanaal inreden.
op een zesjarige maakt zoiets een stevige indruk,daar kan je lang naar kijken.
Met zo’n voertuig gingen mijn ouders terug naar de boerderij om te zien of er nog wat bruikbaars te halen was.
De hond had alles overleefd en had zich in leven gehouden door te eten van de dode koeien en paarden.
De paarden hadden nog geprobeerd op de hooitas te kruipen maar hadden deze strijd toch verloren.
De hond kon zich maar moeilijk aanpassen aan de nieuwe situatie en moest wat later toch worden afgemaakt.
Omdat mijn vader hier mocht blijven voor de opruimings-en herstelwerkzaamheden hoefden wij niet te evacueren.
We liepen wel eens omdat er weinig te doen was helemaal naar het eind van het havenkanaal, daar waar in de tegenoverliggende dijk het gat zat.
Als het dan eb werd ontstond hier een ware waterval.
Helemaal van gevaar ontbloot was dit achteraf ook niet, want door de werking van het stromende water zakte die dijk op een gegeven moment ook in het gat.
Gelukkig zaten wij daar toen niet.
Als je nu na vijftig jaar je ogen laat gaan over de polder em je ziet ook de rustige Oosterschelde, dan komt dit alles onwerkelijk over.
Maar het gebeurde wel, ik was er zelf bij.

1 Reactie

  1. natuurlijk al gelezen maar ik vind het goed dat je het hier voor iedereen toegankelijk hebt neergezet Mien!
    Wij hebben er natuurlijk niet zo veel van meegemaakt maar in ’44 wel en die herinneringen die zijn traumatisch en daarom kunnen we ook zo meevoelen met jullie
    Heb je trouwens dat verhaal gehoord van de stille tocht voor die hond en de herdenking zaterdag??
    En heb je het filmpje gezien op zeelandnet??

    Ellen

Geef een reactie