Smulweb Blog

Je koekje bij de koffie

Feesttafeltips.

body{background: url(http://webpaspoort.wereld.nl/wc_filewrapper?filetype=jpg&img=20040320025108.jpg)}--

Enkele handige tips om de tafel juist te dekken

en nooit meer te zondigen tegen de goede tafelmanieren!.

Broodje links of broodje rechts?.

Het eeuwige dilemma:

U komt aan een gedekte tafel en zowel links als rechts van uw plaats ziet u een schaaltje met een broodje.

Onthoud de regel: het broodje aan uw linkerkant is dat van u.

Van uw broodje brokkelt u stukjes met de hand, nooit snijden!.

Wat moet ik met dat servet?

Zeker niet in uw hemd of kraag vaststeken, maar altijd onzichtbaar op uw schoot laten liggen.

U gebruikt het alleen om nu en dan discreet de mond af te vegen.

Na de maaltijd - of als u de tafel even moet verlaten - legt u het losjes naast het bord, niet op de stoel.

Wijnglas of waterglas?.

Glazen plaatst u altijd rechts achter het bord. Wijnglazen horen van rechts naar links te staan in de volgorde waarin ze bij de maaltijd zullen worden gebruikt.

Het glas voor water staat uiterst links of achter de wijnglazen.

Hoe leg ik dat bestek?

Altijd van buiten naar binnen, dus naar het bord toe, in de volgorde waarin we ze bij de maaltijd nodig zullen hebben.

Messen en lepels liggen rechts, vorken links van het bord.

Het tafelzilver voor het dessert mag u vlak naast of boven het bord leggen;

in dat laatste geval legt u ze van boven naar beneden in de volgorde waarin de gasten ze gaan gebruiken.

Fruitbestek komt pas op tafel met de daarvoor bestemde bordjes.

Opdienen - afruimen.

Borden met gerechten worden aan de linkerkant naast de gast opgediend.

Soep daarentegen wordt van rechts af geserveerd. Het afruimen en het inschenken van wijn gebeurt altijd aan de rechterkant.

Wijn: wie proeft, wie serveert?.

In het restaurant vraagt de ober wie de wijn zal proeven.

Thuis hebt u in deze geImancipeerde tijd de keuze: als de gastheer de wijn ontkurkt, zal hij hem voorproeven en vervolgens de glazen vullen. Daarna is het aan de gastvrouw om als het eerste het glas te heffen.

Het mag echter ook net andersom.

Wat piept daar?.

GSM's, draadloze telefoons, semafoons en laptops kunnen aan tafel bijzonder storend zijn.

In heel wat betere restaurants wordt de klanten trouwens gevraagd ze niet mee in de eetruimte te nemen.

Kunt u toch niet zonder,

leg uw elektronische navelstreng dan zeker niet op tafel tussen de borden maar houd hem discreet in een binnenzak, handtas of heupgordel.

Moet u bellen of wordt u opgebeld, sta dan, na een woord van verontschuldiging, meteen op van de tafel en ga uw elektronisch ding discreet in de hal of de zithoek doen.

Help, hoe eet ik dat?.

Appels en peren:

Neem de vrucht vast met de linkerhand, snijd ze in vieren met het fruitmesje, schil de partjes en eet ze dan uit het vuistje.

Asperges.

Grote asperges prikt u een na een aan hun onderkant aan een vork, u schuift dan met de linkerhand een tweede vork onder de asperge en u brengt hem zo naar de mond.

Korte asperges kunt u met een enkele vork opprikken.

Als er bij het gerecht kleine servetjes en een vingerkommetje worden geserveerd, dan wikkelt u met uw rechterhand het uiteinde van elke asperge (kort of lang) in een servetje en eet u de groente uit het vuistje, waarbij u wel een vork in de linkerhand als steun kunt gebruiken.

Gevogelte: neen, wat u ook al mag gehoord hebben, het is en blijft niet erg netjes om bouten in de hand te nemen en af te kluiven.

Gebruik dus mes en vork, ook al betekent dit dat u wat vlees aan de botjes moet laten.

IJs.

Weersta aan de verleiding en laat het laatste restje gesmolten ijs in het glas of de coupe.

Dus niet schuin houden om de laatste inhoud uit te lepelen (of, erger nog, uit te drinken).

Kreeft en langoustines.

De grote scharen breekt u met een speciaal tangetje (een soort van notenkraker) en die haalt u vervolgens leeg met een kreeftenvorkje. De dunne pootjes en scharen daarentegen mag u gewoon met de vingers afbreken en uitzuigen.

Een vingerkommetje is hier onontbeerlijk.

Oesters: nooit uitslurpen!.

Neem de oester in de ene hand en wrik de zeevrucht in de schaal los met vorkje.

Laat de inhoud zachtjes en zonder slurpgeluid in de mond glijden en dep uw vingers schoon in het vingerkommetje.

Pasta.

Altijd met lepel en vork, nooit een mes gebruiken.

Alleen brede pastavormen (lasagne, cannelloni) of gegratineerde pastagerechten eten we met vork, mes en lepel.

Perziken.

Eerst doormidden snijden met een fruitmesje,

dan de pit eruit wippen en vervolgens elke helft op een vork prikken en met de andere hand pellen met behulp van het mesje.

De gepelde helften tot slot met mes en vork of uit de hand opeten.

Sinaasappels.

Eerst snijdt u met het fruitmesje een kapje van de schil, vervolgens maakt u kruiselings op vier plaatsen een insnijding in de schil van boven naar beneden.

Trek de vier stukken schil er af met het mesje of met de hand.

Tot slot eet u de partjes uit het vuistje.

Soep.

Nooit koud blazen, natuurlijk, gewoon laten afkoelen.

En op het laatst houden we het bord niet schuin, maar laten we het bodempje in het bord.Serveerregels.

1.Met de rechterhand en langs de rechterzijde van de gast.

De borden en het glaswerk inzetten of uithalen, behalve wat links van de gast moet worden ingezet of uitgehaald, doen we met de rechterhand langs de linkerzijde van de gast.

2.Met de rechterhand het bestek neerleggen.

Vorken en broodmesjes langs de linkerzijde en messen en lepels langs de rechterzijde van de gast.

3.Het uitserveren van gerechten behoort aan de linkerzijde van de gast te geschieden.

4.Bij warme gerechten grote warme borden en bij koude gerechten koude borden.

5.Zijn de borden van een vignet voorzien, dan dient het vignet zo te worden geplaatst dat het voor de gasten duidelijk zichtbaar is.

6.Is aan het bedienend personeel bekend wie de gastheer is, dan behoort deze steeds het laatst geserveerd te worden.

7.De dames gasten behoren steeds het eerst geserveerd te worden.

8.Bevind zich onder de dames de echtgenote van de gastheer, dan deze dame het laatst serveren.

9.Oudere gasten behoren steeds het eerst geserveerd te worden.

Daarna pas de jongere.

Dit geld zowel voor de dames als ook voor de heren.

10.Eerst wanneer alle gasten klaar zijn met het geserveerde gerecht mag er worden gedebarrasseerd(Afruimen).(Aan de rechterzijde van de gast).

11.Voordat de gastheer/gastvrouw voor het nagerecht opdekt, behoort de tafel geheel te zijn afgeruimd.

Slecht het vaasje met bloemen en de asbak blijven staan, zo ook de wijnglazen.

Die nog niet helemaal leeg zijn.

Deze worden pas afgeruimd wanneer de koffie geserveerd wordt.

Regels bij het opdekken van tafels.

1.We kijken of het tafellaken vies is en leggen zonodig een schoon tafellaken op.

2.Het opleggen van het tafellaken natuurlijk op de juiste manier (let erop dat de molton goed ligt).

3.De middenvouw met de bolle kant naar boven, precies in het midden van de tafel.

Bij een ronde tafel de punten van het laken boven de poten van de tafel.

4.Nooit met de handen een tafellaken glad strijken.

We leggen het zonodig goed door aan de punten van het laken te trekken.

5. Op het zojuist opgelegde tafellaken zetten we niets meer neer wat er niet op thuis hoort.

Dus geen borden met bestek, diendoeken etc.(geeft kringen), wel de vaste attributen, bloemenvaasje, asbak, peper en zout.

6. We nemen een groot plat bord en leggen hierop een randje en het bestek wat we nodig hebben en wel op de juiste manier (messen onder de lepels en vorken kruiselings erover).

7. Poleren (opblinken) doen we met een poleerdoek en dus niet met de diendoek.

8. Eerst de glazen poleren en daarna de borden en het bestek.

***

***

9. We leggen het bestek weer op het bord en gaan de tafel opdekken.

Het bord met bestek houden we in de linkerhand en met de rechterhand leggen we het bestek op tafel.

10. We dekken couvert na couvert op zo volledig mogelijk op. (dus niet eerst alle messen, daarna alle vorken etc.

12.Indien mogelijk zetten we nu de side plate op tafel, al of niet met een dessertmesje erop. (met de scherpe kant naar links) en de benodigde glazen.

***

13. Servetten op tafel, netjes gevouwen.

14. Stoelen tegen het tafellaken schuiven; niet eronder.

15. Het gepolierde oplegbestek gueridon (bijzet tafel) aan

de rechterkant, met de vorken in de lepels.

16. Onderzetborden voor de soep en salade vorkjes op een dessertbord zetten we onder de gueridon.

Serveermaterialen.

Bestek.

1. Vismes

2. Sorbetlepel

3. Cocktaillepel

4. Suikerlepel

5. Koffielepel

6. Slakkenvork

7. Visvork

8. Cocktailvorkje

9. Oestervorkje

10.Kreeftenhaak

11.Slakkentang

12.Soeplouche

13.Citroenknijper

Servies.

1. Onderzetbord

2. Diepbord

3. Dessertbord

4. Side-plate ( toastbordje)

5. Grootbord

6. Oesterbord

7. Moccakopje

8. Theekop

9. Koffiekop

10.Soepkop

Materialen.

1. Cona apparaat

2. Flambeer rechaud

3. Rechaud ( warmhoudplaat ).

1. Vingerbowl

2. Asbak groot

3. Broodmandje

4. Slakkenbord voor een dozijn

5. Bloemenvaasje

6. Peper en zout

7. Slakkenbord voor een dozijn

8. Boterschaaltje groot

9. Asbak klein

10.Eierdopje

11.Slakkenbord voor een half dozijn

12.Boterschaaltje klein

1. Wijnmandje voor Bordeaux ( rood )

2. Wijnmandje voor Bourgogne (rood)

3. Hoge koeler voor b.v. Elzas

4. Lage koeler voor b.v. Loire ( wit )

5. Snijplank met trancheer bestek

Glaswerk.

1. Bourgogne glas

2. Zuidwijn glas

3. Borrelglas

4. Cognac glas

5. likeurglas

6. Whisky beker

7. cocktailglas

8. Modern cocktailglas.

Voorgerechten.

In principe klein bestek (mes en vork).

Maar er zijn uitzonderingen:

Een visgerecht waarbij toast en boter apart wordt geserveerd dek je een visbestek op.

Bv. Gerookte zalm op toast, klein bestek.

Gerookte zalm met toast en boter, visbestek.

Zalmsalade met toast en boter, klein bestek.

Zalmmayonaise met toast en boter, visbestek .

Coctails, daar dek je een coctailbestek op.

Oesters, een oestervorkje (rechts) en een vingerbowl.

Kreeft, een visbestek en kreeftenhaak (rechts) en een vingerbowl.

Escargots, een slakketang (links), een slavorkje (rechts).

Asperges, een grote vork rechts en vingerbowl links boven.

Om te onthouden.

Koude voorgerechten worden altijd met toast en boter geserveerd, dus een klein plat schoteltje met een klein mes.

Uitzondering.

Voorgerecht dat op toast wordt geserveerd en fruitcoctails.

Bij een meloen coctail, glaasje (Madeira pijpje) witte port.

Bij pompelmoes, coctail glaasje (Madeira pijpje) Sherry.

Gerookte gerechten als extra, een pepermolen.

Bij vette gerechten (zoals paling, zalm) citroen.

Soepen.

Grote lepel, placematje, warm diep bord en een groot onderzetbord.

Bij soep serveer je stokbrood of soepstengels apart.

Enkele bijzonderheden, heldere ossenstaartsoep wordt vaak op smaak gemaakt gebracht (geparfumeerd) met Madeira.

Kreeftensoep, idem maar dan met cognac.

Wildbouillon met Sherry.

Bij een kop bouillon serveer je een beschuitje en citroen.

Hoofdschotel van vis.

Voor een warm visgerecht dek je altijd een visbestek en een warm bord.

Hoofdschotel van vlees, wilf of gevogelte.

******

Altijd een warm, groot bord, een groot mes en grote vork

Enkele bijzonderheden.

Een salade als groente.

Gemengde salade, dessert bord en dessert vork.

Appelmoes,plat dessertbord en dessertlepel.

Samengestelde compot, dessertbord en dessert lepel.

Nagerechten.

Zacht: (pudding-flensjes-ijsgerechten).

Dessertlepel en dessertvork.

Koud gerecht, koud dessertbord.

Warm gerecht, warm groot bord.

Hart gebak, (hart gebak-kaas)

Dessertmes en dessertvork en dessertbord.

Fruit.

Dat geschild moet worden (appel-peer-sinaasappel).

Dessertmes en dessertvork en dessertbord en vingerbowl.

Klein zacht fruit.

(Aardbei-bessen-fruitsalade).

Dessertlepel en dessertvork en dessertbord.

Klein fruit met pitten.

(Druiven-kersen-pruimen).

Dessertlepel en dessertbord en vingerbowl.

Om nooit te vergeten.

De molton heeft een drieledige functie:

1. Het verschuiven van het tafelaken tegengaan.

2. Bescherming van de tafel.

3. Geluiddempend.

De diendoek heeft een tweeledige functie:

1. Warme borden en schalen vastpakken.

2. Bescherming van de kleding.

Note:De diendoek wordt over de linkeronderarm gedragen.

******

Veel gebruikte woorden en termen.

Woord Betekenis

Aperitief = drankje voor de maaltijd (eetlustopwekkend)

Digestief = drankje na de maaltijd(spijsverterend-bevorderend)

Poleren = opwrijven van de glazen, borden, etc.

Mise en place = voorbereidende werkzaamheden

Frapperen = koelen d.m.v. ijsblokjes

Chambreren = op kamertemperatuur brengen

Decanteren = overschenken van oude wijn in karaf

Debarrasseren = afruimen

Gueridon = bijzettafel

Nappe = tafellaken

Napperon = dekservet

Louche = soepopscheplepel

Side plate = toastbordje

Fileren = vis van de graat ontdoen

Trancheren = snijden van vlees, gevogelte, wild

Flamberen = d.m.v. drank, aansteken

Old-fashioned glas = whiskybeker

Schwenker = cognacglas

Roemer = Duits wijnglas

Stir = roeren

Shake = schudden

Jigger = maatbekertje

Boston Shaker = glas en metaalgedeelte

Strainer = zeef

Terrine = soepbak

Legumiere = groentebak.

Home Recepten