Het brood, een toevallige vondst


De uitvinding van het brood, die sommigen aan de Hebreeers toeschrijven, is eigenlijk louter te danken aan het toeval. Een kok, die een papje aan het bereiden was van meel en water, verliet even zijn keuken. Toen hij een paar uur later terugkwam, vond hij een gerezen deeg. Hij bakte het deeg op een hete steen om te zien wat het zou geven. Hij verkreeg een lichte koek die tijdens het bakken nog was uitgezet en lekkerder smaakte dan gewoonlijk.

De oven : een uitvinding van de Grieken

De tweede grote uitvinding, de oven, werd gedaan door de Grieken.
Eerst had men de gewoonte het deeg te bakken op platte stenen of in lemen vormen die vooraf verhit ofwel rechtstreeks op de as geplaatst werden.
De uitvinding van de oven betekende een belangrijke vooruitgang maar was tevens een groot gevaar : naarmate de steden begonnen uit te breiden, werden ze steeds vaker geteisterd door brand. Daarom werden er openbare ovens gebouwd waarin de gezinnen zelf hun brood konden bakken. De Grieken waren ook de eersten die echte bakkerijen inrichtten. Ze kenden al 72 soorten brood waaraan zij verschillende aroma’s toevoegden om de smaak te verbeteren. Zij waren ook de eersten om gebak en koeken te maken. De Griekse bakkers genoten zo’n goede reputatie dat de Romeinen bakkers uit Athene lieten overkomen. Via Julius Caesar en de Romeinse legioenen werd de kunst van het broodbakken ook bij ons ingevoerd, zo’n 50 jaar voor onze tijdrekening. Het waren dus de Romeinen die hier de eerste ovens en ook de eerste molens lieten bouwen.

De bakkers verenigen zich tijdens de Middeleeuwen:

Tijdens de Middeleeuwen begonnen de bakkers zich te verenigen in bakkersgilden.
Zo’n gilde telde drie categorieen : de leerjongen die het beroep aanleerde, de knecht die het beroep uitoefende en de meesterbakker die de activiteit leidde en tevens eigenaar was van de bakkerij. Een bepaald aantal meesterbakkers noemde men gezworenen. Zij werden door hun vakgenoten verkozen en waren gelast met het toezicht op de toepassing van het reglement van de bakkersgilde. Het brood werd verkocht per eenheid. De eenheidsprijs was vast maar het volume van het brood schommelde in de mate dat het graan duurder of minder duur was. Het is slechts in de 14e eeuw dat men begonnen is het brood te wegen en per gewicht te verkopen.
In de Middeleeuwen heette de bakker in onze contreien de “broodmaker”. De wetten en voorschriften waren toen reeds zeer talrijk. De broden werden door de gemeentelijke overheid regelmatig gekeurd en op hun gewicht gecontroleerd. De bakkerswinkel was de plaats waar men graag een babbeltje sloeg, terwijl men zijn dagelijkse portie brood aankocht en waar men zich in de winter wat opwarmde.

De bakkers werken ‘s nachts:

Deze gewoonte, die vandaag nog steeds bestaat, dateert uit de tijd van Lodewijk XIV. Op een dag besloot een Parijse bakker zijn vers brood vroeger aan te bieden dan zijn collega. Hij gebood zijn werknemers het werk een uur vroeger aan te vangen : om 6 uur i.p.v. 7 uur. Daarop besloot de ander de productie te starten om 5 uur, en vervolgens om 4 uur … Alle andere bakkers volgden en zo werd de productie verlegd van de dag naar de nacht.

1 Reactie

  1. louisewolbert

    23 maart 2002 at 16:24

    wederom bedankt!
    Groetjes van Louise.

Geef een reactie