De bij

Omdat honing er niet zou zijn zonder de ijverige verzamelaars ervan, de bijen, hier wat informatie. Bijen zijn niet alleen in volwassen toestand op bloemen aangewezen voor hun voeding (het gaat hierbij met name om de nectar), maar ook als larve. Vandaar dat ze zich goed hebben aangepast aan intensief bloembezoek.
De larven worden door het wijfje van bloemprodukten (met name stuifmeel) voorzien. Dat kan omdat de bijen door hun haarkleed, hetzij aande achterpoten (de meeste “graafbijen” en “sociale bijen”, hetzij aan de onderzijde van het achterlijf (metselbijen, behangersbijen) goed in staat zijn stuifmeel te verzamelen en te vervoeren. Bovendien is de tond, vooral bij de hogere bijen, sterk verlengd, zodat ook diep liggende nectar voor hen toegankelijk is.
Er is een verschil in de manier waarop bijen voor hun larven zorgen. Bij de solitair levende bijen maken de wijfjes ieder afzonderlijk een of meer nesten, hetzij in de grond (graafbijen), hetzij in bestaande holten (behangersbijen, metselbijen), soms ook in zelf geknaagde gangen in hout (houtbijen). In die nesten worden een aantal kamertjes (cellen) gemaakt, die elk worden voorzien van een portie “bijenbroed”: stuifmeel met wat nectar, en 1 ei. De voeding die de larve voor zijn groei nodig heeft wordt dus in een keer aangebracht.
Bij de sociale bijen worden “staten” gevormd, bestaande uit een volwaardig wijfje, de konining en een aantal steriele wijfjes, de werksters. In deze staten worden de opgroeiende larven door de werksters voortdurend van voedsel voorzien. De mannetjes hebben zowel bij de solitaire bijen als bij de sociale bijen geen deel aan de verzorging van de larven.
Een aantal bijengeslachten heeft zich tot broedparasieten ontwikkeld, dat wil zeggen dat de wijfjes niet zelf een nest maken en voorzien van voeding, maar hun eieren deponeren in de bevoorrade, maar nog niet afgesloten nesten van een andere soort. Bij deze koekoeksbijen ontbreken de mogelijkheden voor het verzamelen en vervoeren van stuifmeel. De soorten die bij solitaire bijen parasiteren hebben door reductie van het haarkleed een wespachtig uiterlijk gekregen.
De nauwe binding van de bijen aan bloeiende planten brengt met zich mee dat het grootste aantal solitaire soorten wordt gevonden in de warmere gebieden van de gematigde zone met hun geconcentreerde bloeiperioden. In de tropen vind men de grootste ontwikkeling van de sociale bijen met meerjarige staten: de soorten van het geslacht honingbij en de kleine, angelloze Meliponen.
Er zijn vele duizenden soorten bijen, onze fauna telt er ongeveer 325 verschillende.Het geslacht honingbij (Apis) bestaat uit 4 soorten: de honingbij (A. mellifera), de reuzenbij (A. dorsata), de dwergbij (A. florea) en de Indische honingbij (A. Indica). Het verspreidingsgebied van de laatste drie is Oost-Azie, de gewone honingbij komt thans overal ter wereld voor, maar is in Amerika en Australie niet inheems. Gecultiveerd om hun honing worden slechts de honingbij en de Indische honingbij, van beide bestaan talrijke varieteiten of rassen.
Een normaal bijen volk bestaat uit een koninging (normaliter een bevrucht wijfje, dat al dan niet bevruchte eieren legt), enkele tienduizenden werkbijen of werksters (wijfjes die niet bevrucht kunnen worden en slechts in uitzonderingssituaties onbevruchte eieren kunnen leggen) en gedurende de zomer enkele honderden darren (mannetjes).Imkers noemen de koningin ook wel moer, omdat de koningin de moeder van alle bijen in het volk is. De koningin ontwikkelt zich uit een bevrucht eitje (gelijk aandat waaruit een werkbij ontstaat), dat in een koninginnecel (moerdop) wordt gelegd. De larve die hieruit ontstaat, wordt gevoed met een grote hoeveelheid koninginnepap, afgescheiden door de klieren van de werkbijen. Als de koningin uit het volk verdwijnt terwijl er bevruchte eitjes of werkbijlarfjes jonger dan 3 dagen aanwezig zijn, kunnen de werkbijen door deze larven met koningenpap te voeren koninginnen kweken. De cel is dan geen moerdop, maar wordt uit de raat opgebouwd tot redcel.
Enkele dagen na de verpopping gaat de koningin op bruidsvlucht; zij paart hoog in de lucht met enkele darren. Het sperma verzamelt zich in de zaadblaasjes. De bruidsvluchten worden herhaald tot de voorraad sperma in de zaadblaasjes voldoende is om enkele jaren bevruchte eitjes te leggen. De koningin kan ook onbevruchte eitjes leggen (door geen sperma tot het passerende ei toe te laten). Darren ontstaan uit deze onbevruchte eitjes.
De koningin is steeds omgeven door enkele werkbijen, die haar betasten en belikken: de hofstaat. De werkbijen ervaren de aanwezigheid van de koningin doordat deze “koninginnestoffen” afscheidt. Deze stoffen voorkomen het bouwen van redcellen en de ontwikkeling van eierstokken bij werkbijen.De larve komt na drie dagen uit het door de koningin in een lege werkstercel afgezette ei en wordt daarna gevoed door jonge werkbijen. Na zes dagen is ze volgroeid; oudere werkbijen sluiten nu de cel af met een wasdekseltje (zegel). De larve verpopt zich en bijt na 12 dagen het wasdeksel stuik. De volwassen jonge bij heeft de eerste tien dagen als voornaamste taak het voeden van larven en van de koningin; jonge larven worden gevoed met een speciaal voedingssap, dag door een grote in de kop gelegen klier wordt afgescheide, oudere larven ook met honing en stuifmeel.
Na die tien dagen komen ook de wasklieren aan de buikzijde van het achterlijk tot volle ontwikkeling. De taak van de werkbij wordt dan het bouwen van raten en het in ontvangst nemen van de door oudere bijen verzamelde nectar en stuifmeel.
Na wederom ongeveer 10 dagen wordt ze vlieg- of haalbij, wat wil zeggen dat ze uitvliegt om nectar, stuifmeel en water te halen. Deze werkverdeling is overigens niet zo strikt als hier geschetst wordt, maar afhankelijk van de behoefte van het volk. De nectar die de werkbij met haar tong uit bloemen haalt wordt tijdelijk bewaard in de in het achterlijf gelegen honingmaag; het stuifmeel wordt geborgen in zich op de achterpoten bevindende “korfjes”, door haren gevormde holten. In de zomer duurt het leven als vliegbij 3 a 4 weken, zodat de totale levensduur van een werkbij (met inbegrip van het larvenstadium) op ongeveer 7 weken komt. Overwinterende bijen kunne ca. 7 maanden oud worden.
Werkbijen kunnen diverse kleuren goed onderscheiden, ook ultraviolet. De reukzin is goed ontwikkeld. De smaak voor zoet heeft een bij ook, bitter kunnen ze niet proevenDarren komen alleen in de zomermaanden voor. Zij verschijnen kort voor de zwermtijd. Hun enige taak is het bevruchten van de koningin. Na de zwermtijd verdwijnen ze, of doordat ze niet langer door de werkbijen gevoed worden, of doordat zij met geweld door de werkbijen verwijderd worden (de darrenslacht, in augustus). Het belangrijkste verschil tussen darren en werkbijen, is naast het verschil in grootte vooral het ontbreken van een angel, de veel grotere facetogen, de kortere tong en het ontbreken van de “korfjes”.In het najaar bestaat een bijenvolk uit 10.000 tot 15.000 werkbijen en 1 koningin. De werksters vliegen niet meer uit en vormen om de koningin een dichte tros, waarin in het centrum, door voedselopname van de buitenste bijen en geleidelijke verplaatsing van deze naar binnen toe, een temperatuur van 12 tot 20 graden wordt gehandhaaft. Van een echte winterslaap is evenwel geen sprake.
De faeces worden opgehoopt in de zeer rekbare endeldarm; stijgt in de winter de buitentemperatuur toevallig tot boven 8 graden, dan vliegen de werkbijen even uit om zich te ontlasten (reinigingsvlucht). De winterrust duur tot eind januari. Dan begint de koningin weer eieren te leggen. De oude bijenbevolking sterft in het voorjaar geleidelijk af, maar er worden zoveel jonge bijen geboren dat de bevolkingssterkte toeneemt.
In mei verschijnen de eerste darren, nu worden ook in speciale cellen enkele jonge koninginnen opgekweekt. Het volk is dan gereed om te gaan zwermen.
De bijenzwerm is een deel van een bijenvolk dat zich afsplitst om een zelfstandig volk te vormen. Het volk, in het voorjaar bestaande uit 30.000 tot 50.000 bijen, splitst zich in mei-juni. De eerste zwerm (voorzwerm, brandzwerm of bromzwerm) die vertrekt (nadat speurbijen eerst een geschikte nestgelegenheid hebben opgespoord) bestaat uit 10.000 tot 20.000 werkbijen, enkele darren en de oude koningin, en verzamelt zich als een zwermtros aan een tak of ander voorwerp, tot het de opgespoorde nestgelegenheid kan betrekken. In het moedervolk worden vele bijen en later ook koninginnen geboren, zodat ongeveer 10 dagen na de eerste zwerm een tweede, kleinere zwerm kan uitvliegen (de nazwerm of endeling), waarin ook enige darren en een of meer jonge onbevruchte koninginnen. Daarna kunnen eventueel nog een of meer nazwermen gevormd worden. In elke nazwerm worden overtollige jonge koninginnen gedood tot er een overblijft die na enkele dagen haar bruidsvlucht maakt. Hetzelfde geschiedt bij het moedervolk. Bij elk nieuw volk neemt de volkssterkte snel toe, worden raten gebouwd en wordt veel voedsel verzameld, waarvan het volk in de winter zal moeten leven. In oktober treeds de winterrust weer in.Bijenlarven worden gevoed met een combinatie van honing en pollen. Als ze eenmaal volgroeid zijn, spinnen ze een cocon en verpoppen zich. Tijdens deze fase ontwikkelen ze de eigenschappen van volwassen bijen.
In een bijenkorf leven duizenden werksters en in de voortplantingstijd honderden darren en een aantal jonge koninginnen. Deze zijn alle afkomstig van een enkele oude koningin. Bij het fourageren zuiten de werksters water en nectar op via de beweegbare en flexibele buisjes van hun monddelen en verzamelen ze was en stuifmeel met behulp van hun kaken en poten. Bijen hebben drie paar enkelvoudige ogen boven op hun kop en twee grote facetogen aan weerszijden ervan. Hun twee paar vleugels zitten aan elkaar vast door middel van een rij kleine haakjes aan de rand van het voorste paar. Alleen de koningin heeft volledig ontwikkelde eierstokken. Ze scheidt verschillende feromonen af; een daarvan onderdrukt de ontwikkeling van de voortplantingsorganen bij de werksters, zodat potentiele rivales worden uitgeschakeld.
Hoewel werkbijen slechts ongeveer 6 tot 7 weken leven, verrichten ze een groot aantal uiteenlopende taken die verband houden met het in stand houden van de bijenkorf. Werkbijen zijn verantwoordelijk voor het bouwen van de hongingraat, het voeden van de larven, het verzorgen van de koningin, het ventileren en verwarmen van de bijenkort, het verzamelen van voedsel en het omzetten van dit voedsel in honing. Werksters beschermen de bijenkorf ook tegen roofdieren.

1 Reactie

  1. louisewolbert

    6 oktober 2001 at 20:43

    Neem het mee naar m,n pagina.
    Bedankt!
    Groetjes van Louise.

Geef een reactie