1. Home
  2. Artikelen
  3. Capucijnders op zijn scheeps

Capucijnders op zijn scheeps

Overgenomen uit 'Nieuwe avonturen met een pollepel' van J.W.F. Werumeus Buning (uitgegeven in 1940).


"Mijnheer", zei de kok, "loop me nou niet voor mijn voeten, d'r is geen geheim an. Je mot ze goed lang weken en je mot ze goed lang zachies koken, dat is al. Kijk hier, het water mot study bibberen en geeneens borrelen, of het is mis en dat weten die koks nou niet altijd."
Het was een eerbiedwaardig zwart scheepsfornuis, waarbij deze wijze woorden gesproken werden. In de vredigste hoek vertoonde zich een vernuftige stellage, waarop in een kistje met houtwol een wit mormel van een hondje rondkroop, zijnde dit de enige methode volgens de kok, om een echt Maltezer Leeuwtje naar het vaderland over te brengen. Op het fornuis zelf bibberden sedert de dageraad voor 20 manspersonen capucijnders en uit twee braadsleden stegen de onvolprezen geuren van spek dat uitbakt en ui die haar ware goudbruine kleur krijgt. Het was fris weer met een zeetje, de kapitein was jarig, en bovendien was het de dag van de capucijnders.
De bewoner van het droge deel, dat aarde heet en ook de reiziger op de wateren die per varend-hotel-cafe-restaurant de Oceaan klieft, weten gemeenlijk niet dat van IJszee tot Indische wateren op de meeste schepen van koopvaardij en oorlog het menu zo vaststaat als een spoorboekje: Maandag dit, Dinsdag dat, op zekere dag erwtensoep en op een andere zekere dag capucijnders of grauwe erwten, het doet er niet toe of men op de avond van die dag de evenaar of een walvis en twee ijsschotsen passeert.
Fijngevoelige vakverenigingsleiders hebben wel eens - zeggende dat erwtensoep in een tropische atmosfeer beestenvoer was - de snert van het menu weten te krijgen, maar wat heeft men daarna beleefd? Een verzoek om ze er weer op te zetten. Ik wil maar zeggen dat er geen enkel bezwaar is om des voorjaars, en zelfs des zomers capucijnders te eten. Het is een best eten, maar men moet ze op zijn scheeps eten, aangezien het capucijnders eten sinds eeuwen her aan boord met de grootste ernst en toewijding beoefend is. Dat het daarbij in vervlogen jaren wel eens haperde aan bekwame toebereiding, wordt voor altijd bewezen door de schone synoniemen van de capucijnder en grauwe erwt, anders genaamd raasdonder en bramstagloper.
Een slecht gekookte capucijnder of grauwe erwt namelijk blijft iets van een knikker houden: men verklaart de beide maritieme omschrijvingen dezer peulvrucht dan ook respectievelijk door het feit, dat de capucijnder in deze staat een zeker geraas in het menselijk lichaam verwekte, en door het feit, dat men ze daarin, bij eventuele werkzaamheden in de hogere regionen der zeilschepen, om zo te zeggen heen en weer kon voelen en horen rollen en lopen, indien het vaartuig enige zeegang had.
Vandaar dat men een goede scheepskok voor de voeten moet lopen om te weten hoe capucijnders werkelijk gekookt dienen te worden.

Men weekt deze onwaardeerlijke peulvrucht 'een nacht over' zoals het heet.
Er zijn echter, in deze tijden, waarin alles verbeterd wordt, ook snelkokende soorten, maar aangezien een goede kruidenier zijn eigen grauwe erwten eet, kan het geen kwaad hem te vragen hoelang hij weekt.
Het heeft mij steeds profijtelijk geleken de capucijnder etc. te weken in water waar de kou af is, oftewel op de temperatuur van het Maltezer Leeuwtje. Men leest er daarna de slechte uit, ververst ze met lauw water, driemaal zoveel water als peulvrucht, en brengt ze zeer langzaam aan de kook.
De gedroogde peulvrucht moet zwellen aleer ze gaar wordt. Overhaasting brengt harde facies wat het uiterlijke, droge, melige harten wat het innerlijke betreft, ook bij de capucijnder etc. Gelijk dus de scheepskok zegt: laat het water maar bibberen en vooral niet razen.
Hoelang? Hoe zou ik dat weten? Er zijn capucijnders en capucijnders. Laten wij zeggen van twee en een half tot vijf uur. Kook een ui mee, met een paar kruidnagels bestoken, en een teentje van het-u-weet-wel. Zout eerst een half uur voor de zaak mals is. Kook, of liever bibber, met het deksel op de pan. Behandel, in een woord, de capucijnder als de linze, en ge krijgt iets ter beloning, zo sappig als een doperwt, zij het wat mannelijker van smaak, en donker, doch liefelijk.
Het scheepsgebruik wil, dat men capucijnders etc. niet maar zo eet, maar even rijk versierd met toebehoren als een stokvis of een rijsttafel.

Ik persoonlijk heb jarenlang iets tegen capucijnders gehad; tot het bestel der wereld wilde, dat ik ze werkelijk at, aan de tafel van een jarige gezagvoerder, die zijn scheepskok ontzag wist in te boezemen, zowel voor zich als voor de capucijnder. Een goed gezagvoerder dus.
Hij deed de capucijnder natuurlijk vergezellen van dobbelsteentjes uitgebakken spek en gebakken ui. Dat spreekt van zelf. Maar hij had daarbij uitjes en augurkjes uit het zuur op tafel, welgezuurde biet en komkommer. Naast de onontbeerlijke sauskom spekvet stond de feestelijke sauskom mosterdsaus, men zag er de kerrie te pronk staan naast de splinterfijn gehakte rauwe ui en de schaal gestoofde ui; men zag er, o, overdaad, een schaal hagelwitte rijst en een schaal pekelvlees links en rechts van de mosterdpot, en wij hadden er runderlapjes bij met rijkelijk jus. En ten slotte, omdat het feestdag was enige Indische ingredienten als daar zijn de divertissementen der sambals en rode visjes.
Een en ander, naar ieders smaak dooreengeroerd op zijn eigen bord, is een vorstelijk eten: de rijkdom van de eenvoud. Het dient gezegd te worden dat de Middellandse-Zeewind, waaiende van de kant der sinaasappelenboomgaarden van Andalusie, een betere hors d'oeuvre of eetlust opwekkende drank is dan enige andere ter wereld, en Cabo de la Nao in een waterblauwe zee en onder een roze en rossige lucht, een betere toespijs voor het oog dan enige kunstige ijspastei met frambozensaus.
Maar enfin, men kan niet alles tegelijk hebben; het ging er hier om u de ware beginselen van de capucijnders op zijn scheeps te verkondigen: goed in ieder seizoen, mits ge de wijsheid van de scheepskok begrijpt, en tevens bij deze hartige en malse scheepsvrucht uw fantasie laat spelen wat de nodige en overdadige ingredienten van het toebehoren betreft. Geef er runderlapjes bij, en ook, vanwege het maritieme karakter, een paar onsjes pekelvlees. En vergeet in de eerste, tweede en derde plaats, mitsgaders in de vierde, niet wat de scheepskok mij zeide over de noodzakelijkheid van de malse capucijnder: "Mijnheer", zei hij, "als die capsijnders te hard waren! Dat scheepje is maar zo klein. Als er dan een capsijnder in het foksel uit iemand zijn bord springt, heeft er achterop iemand een blauw oog. En aan wie komt de schuld? Aan de kok!"*

* N.B. Ik ben de kok in latere jaren nog eens op Malta tegengekomen, en hij had een blauw oog. "Kok", zei ik, "het is toch geen capsijnderdag?" "Nee, mijnheer", zei de kok, "maar dat is vanwege die vent van dat hondje van toen, u weet wel, en hij heeft er twee."

Reacties (1)

Leuk artikel? Deel het
Laatste vragen
Laatst beantwoorde vragen
Meest bekeken
Top