1. Home
  2. Artikelen
  3. De geschiedenis van de ui

De geschiedenis van de ui

Uien komen van oorsprong uit het Midden-Oosten: de streek van Iran tot West-Pakistan en het aangrenzende zuidelijk Rusland.



Via Mesopotamie is de ui waarschijnlijk in Klein-Azie geintroduceerd. In het oude Egypte is de ui zeker al 5000 jaar lang een belangrijk voedingsmiddel. Afbeeldingen ervan zijn nog te vinden op de tempelmuren en graftomben daterend uit zowel het Oude als het Nieuwe Rijk. Herodotus (5e eeuw v.Chr.) verwonderde zich over de grootte van de pyramide van Cheops, die 2000 jaar eerder door mensenhanden was opgetrokken - wat moest dat niet gekost hebben! Volgens zijn tolk gaf een inscriptie aan welke som geld er ten behoeve van de slaven alleen al aan radijs, look en uien besteed was (Historie II), een verhaal dat niet kon worden bevestigd. Vanaf de 15e eeuw v.Chr. werden lookbollen gebruikt bij het mummificeren.



Dat de ui tot de veelgebruikte voedingsgewassen in Egypte behoorde, weten we onder meer door de Bijbel. Toen Mozes de Israelieten uit Ghosen naar Kanaan leidde, verlangden zij tijdens hun barre tocht al gauw terug naar de geneugten van Egypte, waar zij onder meer uien en knoflook aten zoveel ze maar wilden (Numeri 11:5). De boeken van Mozes werden pas eeuwen later opgetekend. Ook in de Koran (7e eeuw na Chr.) komt de episode voor; de opsomming van voedingsmiddelen verschilt, maar ook hier worden uien vermeld.




Via Kreta raakten uien omstreeks 1000 v.Chr. bij de Grieken bekend. In de klassieke periode vormden uien een geliefd voedsel. Ze werden meer als groente dan als kruid gegeten, zowel gewaardeerd om hun smaak als hun voedingswaarden en door artsen voorgeschreven. In de literatuur worden ze frequent genoemd (voor het eerst door Homerus en het meest door Aristophanes).

De Romeinen verwelkomden de lookgewassen evenzeer. De vroegst bekende beschrijvingen van alliums (althans in het Westen; de Chinezen beschreven hun soorten een eeuw eerder) zijn van de hand van Theophrastus in de 4e eeuw v.Chr. Op zijn geschriften baseert Plinius zich nog grotendeels. Bij Cato (zelfde tijd) en Columella (1ste eeuw) vindt men meer over de teelt.

Terwijl de populariteit bij het volk groot bleef, nam deze op den duur af bij de hogere standen: om hun doordringende geur werden de lookgewassen soms geringschat, goed voor boeren en slaven.

Men moet zich de uien van weleer kleiner voorstellen dan ze nu gewoonlijk zijn. Uit de door de vulkaanuitbarsting verkoolde uien die bij Pompei zijn opgegraven valt op te maken dat de soorten daar (in de 1ste eeuw) ongeveer 2,5 cm groot geweest moeten zijn. Men kende in de Oudheid zowel zoete als scherpe uien (die van Cyprus werden althans als scherp gekwalificeerd). Diverse soorten vermeerderden zich door de vorming van zijbollen, zoals onze tegenwoordige sjalot. De 'ui van Askelon', die zijn naam gaf aan de sjalot, kan echter niet de plant zijn die er later in deze streek in het wild is aangetroffen. Deze soort vormt geen klisters en is nooit in cultuur gebracht. Het kunnen natuurlijk andere uien uit de Levant geweest zijn. Het is in de antieke bronnen niet altijd duidelijk om welke soorten ui het handelt, maar er is toch veel meer over bekend dan wat we weten over uien in de vroege middeleeuwen.

In het oude Egypte werden uien wel als offergaven aan de Nijlgoden gebruikt. Uit de Romeinse tijd, even voor de jaartelling, dateert de opvatting dat de Egyptenaren de uien zelf als goden vereerden, waar Juvenalis bijvoorbeeld (2e eeuw) in zijn 15e satire de spot mee drijft. Bekend is dat Egyptische priesters in het eten van uien op vasten- en hoogtijdagen vermeden. Dat uien echter ooit als goddelijk werden beschouwd is onwaarschijnlijk, al was het voor de Egyptenaren niet ongewoon planten een ziel toe te kennen.

In India werden de lookgewassen beschouwd als onrein voedsel, verboden voor allen die een hoger geestelijk leven nastreefden: Brahmanen zowel als Boeddhisten en andere groeperingen. In ayurvedische geschriften wordt het eten van look zo niet verboden dan wel ontraden, behalve om bepaalde ziekten te genezen. In sommige Japanse gemeenschappen is het telen van uien, maar niet het eten ervan, taboe.

Sterk riekende planten hebben in het volksgeloof een kwaadwerende reputatie. Uien net zo goed als knoflook werden bijvoorbeeld door de Romeinen geacht boze geesten te weren.

Groenten waren niet erg in tel in de Europese middeleeuwen, al moeten kool-, raap- en wortelsoorten toch vrij veel gegeten zijn. Na 1300 raakt het gebruik van groenten en fruit meer verbreid. Uit oude rekeningen blijkt dat er soms, zoals aan het bisschoppelijk hof te Utrecht, behoorlijke hoeveelheden ui en knoflook ingekocht werden. In de 15e eeuw werden uien uit Hoorn naar Engeland uitgevoerd.

Diverse groenten maakten met vlees deel uit van de 'pottagien', die het midden hielden tussen soep en stoofpot. Een goede burgerpot van rond 1500 kon bestaan uit worst met mosterd, wildbraad met erwten en een ajuinsalade.

In de 17e eeuw at men vaak een stoofpot bestaande uit 'alderley' vlees, vis of gevogelte, die 's zomers met groene groenten werd bereid, 's winters met bonen, wortels en pruimen; daar kon dan een 'look-bol bygesmeten' worden. De armen aten nauwelijks vlees: 'warmoesvruchten, als wortelen, cool, ajuyn ende diergelycke, worden aldermeest bij den schameler geconsumeert' (Leiden 1603).

Het groente- en fruitverbruik nam geleidelijk toe, maar in de 18e en 19e-eeuwse kookboeken komen we uien niet erg vaak tegen, en dan soms als kruid dat ook achterwege kan blijven. De Volmaakte Hollandse Keuken Geijl uit 1745 bijvoorbeeld geeft een recept voor een pittige saus bij kapoen (vette haan) waar men 'ook gesnede Chalotten of uien in doen kan.

In de 19e eeuw aten arme mensen zelden vlees en vaak geen goede (ingezouten) groenten. In slechte aardappeljaren trad dan ook nog steeds gebrek aan vitamine C op. Boeren schijnen uien vaak rauw gegeten te hebben, hoewel dit tot de 20e eeuw door artsen afgeraden werd.

Reacties (0)

Leuk artikel? Deel het
Laatste vragen
Laatst beantwoorde vragen
Meest bekeken
Top